Test

FRANS GOOSKENS

Tekstuitgave van de Bredase necrologia en obituaria

Inleiding

  • Begijnhof (1353) ca. 1500–1626
  • Norbertinessenklooster Sint-Catharinadal (1271–1960)
  • Grote of OLV-kerk: kanunniken en kapelanen (1303–1580)

Versie: 1998–08–10

In de late middeleeuwen, maar ook daarna, was er een zeer sterke overtuiging dat men na de dood in het vagevuur terecht kwam (zie Rosenthal (1971) p.11). In het vagevuur, een voorportaal tot de hemel, kon men boete doen voor de zonden begaan tijdens het leven. De kerk besteedde er veel moeite aan om de levenden te leren wat te doen voor de doden: voor zichzelf en voor anderen.

Mensen die hun einde voelden aankomen stelden in hun testament vaak geld beschikbaar om na hun dood voor hun ziel te bidden. Dit om hun verblijf in het vagevuur te verkorten. Ook familieleden of vrienden konden geld voor dit doel te beschikking stellen.

Een groot deel van dit geld ging naar kerkelijke instellingen, zoals kloosters, begijnhoven en kerken. Deze instellingen verplichtten zich als tegendienst regelmatig gebeden te zeggen voor de ziel van de overledene. Regelmatig kon één mis per jaar zijn, maar ook wekelijks of maandelijks. Dergelijke gebeden werden memories of jaargetijden genoemd. De geestelijken aanwezig bij de gebeden hadden vaak recht op een kleine uitdeling in geld of in natura (brood of wijn).

Met het populair worden van dergelijke memories groeide de behoefte aan een goede administratie. De namen van de overledenen werden ingeschreven in een speciale kalender, waarin ook al de namen van de overledenen heiligen en andere kerkelijke hoogtijdagen werden bijgehouden. Dergelijke kalenders noemen we necrologia of obituaria. Een necrologium is een liturgisch boek: bedoeld om voorgelezen te worden tijdens een liturgische viering (koorgebed bijvoorbeeld). Een obituarium is een meer administratief document dat de verplichtingen vastlegt. Daarnaast werden er andere registers aangelegd, bijvoorbeeld om vast te leggen op welke onderpanden de rentes gegeven waren.

De kalenders moesten regelmatig opnieuw aangelegd worden. Hoofdoorzaak was meestal gebrek aan ruimte. Het aantal namen nam toe, maar per dag was er beperkte ruimte voor nieuwe namen. Een andere oorzaak kon zijn dat de oude handschriften moeilijk leesbaar werden. De necrologia en obituaria werden vaak honderden jaren bijgehouden. Een diepgaand onderzoek van de overgeleverde manuscripten is daarom altijd nodig.

De obituaria en necrologia en aanverwante registers zijn een rijke bron voor de geschiedenis:

  • wie voelden zich verwant met een kerkelijke instelling
  • informatie over sterftecijfers
  • informatie over de inkomsten van een instelling
  • informatie over de gebouwen (zerken, altaren)
  • kerkelijke rituelen
    De obituaria en necrologia die voor Breda bewaard zijn gebleven zijn sterk met elkaar verweven. Dezelfde personen werden vaak in verschillende registers opgenomen. Vooral het jaargetijdenregister van het begijnhof en de registers voor de Grote- of OLV-kerk zijn sterk verboden. Oorzaak hiervan was dat de begijnen een deel van de memories afwerkten in de Grote kerk.

Vanwege de verwevenheid is besloten deze registers met elkaar en geïntegreerd uit te geven. Daar dit project over een zeer lange tijd heeft gelopen (meer dan 15 jaar) zijn er hier en daar toch wat inconsequenties ingeslopen, vooral wat betreft het gebruik van afkortingen en literatuur- en bronverwijzingen.

Geschiedenis van St. Catharinadal (1271–1950) gebaseerd op de publicatie ‘Het klooster Sint-Catharinadal’ in Archeologisch en bouwhistorisch onderzoek in Breda 2, Breda 1995

Aangevuld en bewerkt door Frans Gooskens

[Afbeelding obit1]Detail vogelvluchtkaart Blaeu uit 1649

Wat is er beschikbaar aan soorten informatie:

Samenvatting inhoud

&Afbeelding obit1&
Op deze WEB-pagina’s wordt de geschiedenis beschreven van het Norbertinessenklooster Catharinadal. Het klooster is gesticht in 1271 in Wouw bij Roosendaal, maar van het begin af zeer nauw verbonden met de Heren van Breda. Na een overstroming was het vrij vanzelfsprekend dat Breda in 1295 de nieuwe vestigingsplaats zou moeten worden.
Het klooster bleef te Breda gevestigd tot 1647. Onder druk van de protestante deel van de stad vertrokken de zusters naar Oosterhout. Onder de protectie van de Nassau’s kon het klooster daar blijven tot op heden.

Wat is er bijzonder aan de historie van dit klooster:

  • De continuiteit: het klooster is onder alle troebelen blijven functioneren en overleefde een grote kloosterhervorming rond 1463, de protestante tijd, de Franse tijd
  • Er is een rijk kloosterarchief voorhanden met vele oorkonden en registers
  • De gebouwen zijn voor een belangrijk deel bewaaard gebleven. In Breda lange tijd als kazerne (kloosterkazerne), in Oosterhout als een nog steeds bewoond complex
    In 1993 en 1994 heeft er een grootschalig archeologisch onderzoek plaatsgevonden in en rondom de kloosterkazerne te Breda. Aanleiding was het bouwen van het Chassé Theater op een deel van het oude kloostercomplex. Naast het archeologisch onderzoek vond ook een uitgebreid bouwhistorisch en historisch onderzoek plaats. De historische studie is vooral hierop gebaseerd.

De tweede pijler voor de kloosterhistorie is de uitgave van het necrologium van het klooster. Het necrologium, dat de vorm heeft van een kalender, werd gebruikt om de namen van personen op te tekenen die een band hadden met het klooster. Dit kon zijn als weldoener of als bewoner. Het necrologium heeft een rijk namenmateriaal met duizenden namen dat loopt van de stichting van het klooster tot aan 1950. Weer een goed voorbeeld van continuiteit. Waar nodig is de geschiedenis iets uitgebreid met gegevens uit het necrologiumonderzoek.

De volgelingen van Norbertus van Gennep

Voorspel

Sint-Catharinadal in Breda was een vrouwenklooster dat behoorde aan de orde van de norbertijnen. Een kloostergemeenschap bestaat uit een groep mannen of vrouwen die hun leven aan God hebben gewijd. In meer of mindere mate afgesloten van de buitenwereld leven zij samen op één plaats: het klooster (van het Latijnse claustrum=afgesloten plaats). Het christelijke kloosterwezen stamt feitelijk uit het Egypte van de 3de eeuw. Gelovigen trokken zich toen terug in de woestijn om in ascese te leven. De bekendste kluizenaar was de heilige Antonius (ca. 250–356). De kluizenaars groepeerden zich in de loop der tijd en stelden ‘leefregels’ op. Later werden deze regels in het westelijk deel van Europa aangepast door Benedictus van Nursia (gestorven 543), toen hij op Monte Cassino in Italië een gemeenschap van monniken stichtte. Zo ontstond de Regel van Benedictus.

In de Regel van Benedictus worden drie belangrijke geloften voorgeschreven: absolute gehoorzaamheid aan de abt, kuisheid (het bewaren van de ongehuwde staat) en armoede (het opgeven van privébezit). De Regel van Benedictus schrijft nog andere zaken voor, zoals de dagindeling (bidden, werken, eten, slapen etc.), de te zingen psalmen en de te lezen boeken. De drie geloften vormen de grondslag voor vrijwel alle latere westerse kloosterregels. (Een goede inleiding in de geschiedenis van het christendom in de Middeleeuwen is te vinden bij: Southern 1970).

Tot in de 11de eeuw volgden praktisch alle kloosters in West- Europa de Regel van Benedictus. Dit gold ook voor de oudste kloosters in het huidige België, zoals de Sint-Pieter en de Sint-Baafs te Gent en de abdij van Sint-Truiden. Ook de oudste kloosters in Nederland, die weliswaar later ontstonden, behoorden tot de benedictijnerorde. Voorbeelden zijn het klooster van Susteren (gesticht in 714), Thorn (gesticht in 992) en Egmond (gesticht in het midden van de 10de eeuw).

Bij de vroege kloosterstichtingen waren locale machthebbers nauw betrokken. Zo onderhielden bijvoorbeeld het klooster van Egmond en dat van Rijnsburg (gesticht in 1133) nauwe contacten met de graven van Holland. In beide kloosters hebben leden van het Hollandse grafelijk huis hun laatste rustplaats gevonden. Ook traden veel kinderen uit adellijke families tot de kloosterordes toe. Op deze wijze voorkwamen de families dat hun bezittingen bij een erfenis verdeeld werden onder verschillende erfgenamen. Bij intrede van een van de adellijke familieleden werden aan het klooster vaak schenkingen gedaan – in de vorm van geld, grond of onroerend goed. Een klooster kon ook nog andere bronnen van inkomsten hebben. De kloosterlingen baden tegen betaling voor het zieleheil van overledenen en het welzijn van hun begunstigers. De benedictijnen ontvingen ook wel giften van andere gelovigen, die zo aan het hellevuur dachten te ontkomen.

Neergang Benedictijnen

Het resultaat van dit alles was dat vele benedictijnenkloosters in de loop der tijd schatrijk werden. Kostbare kunstwerken sierden het interieur en verscheidene kloosters hielden er een aristocratische levenswijze op na. “Er wordt zo verfijnd gekookt dat ze vijf gangen aankunnen”, schrijft Bernardus van Clairvaux over het benedictijnenklooster Cluny. Hij vervolgt: “… en dan de kleren. Dat is geen bescherming meer tegen naaktheid en koude, maar pure versiering.” (Citaat ontleend aan: Rijksmuseum 1984). Met Bernardus van Clairvaux vonden ook anderen dat door de rijkdom een geestelijke verslapping binnen de orde was opgetreden. Als reactie op de uitbundige levensstijl van de benedictijnen ontstonden aan het einde van de 11de eeuw en in de loop van de 12de eeuw drie nieuwe kloosterorden: de kartuizers, de cisterciënzers en de augustijnerkanunniken.

Opvolgers Benedictijnen. Cisterciënzers

Een van de eerste nieuwe orden is die van de kartuizers. Deze orde kwam voort uit de vestiging van een kluizenaarsgemeenschap die al in 1083 gesticht was door Bruno van Keulen in La Grande Chartreuse, bij het Zwitserse Grenoble. De strenge, geïsoleerde levenswijze die de kartuizers erop nahielden, was niet voor iedereen geschikt. Daarom stichtte Robert van Molesmes, na een mislukt experiment om als kluizenaar te leven, in 1098 een klooster te Citeaux bij Dijon. Dit klooster werd de bakermat van een nieuwe orde: die van de cistercinzers. Vooral onder abt Bernardus van Clairvaux (1090–1153) kwam deze orde tot grote bloei.
De cisterciënzers volgden weliswaar de Regel van Benedictus, maar trachtten deze in een meer ‘letterlijke’ zin na te leven en legden de nadruk op het armoede-ideaal. De sobere levenswijze werd gestalte gegeven door giften aan het klooster te weigeren, behalve wanneer het woeste, onbebouwde – grond betrof. Dit laatste hing samen met het belang dat de cisterciënzers hechtten aan het verrichten van lichamelijke arbeid en het streven om in afzondering en in harmonie met de natuur te leven. Zij vestigden zich dan ook meestal op enige afstand van middeleeuwse bewoningscentra, zoals steden en kastelen. De cisterciënzers hebben in grote delen van Europa veel woeste gronden ontgonnen, bedijkt en voor bebouwing geschikt gemaakt. In Nederland zijn vanaf de 12de eeuw verscheidene cisterciënzerabdijen in de Friese kustgebieden te vinden. De kloosters hebben hier een grote rol gespeeld bij ontginnings- en bedijkingswerkzaamheden.

Voor het verrichten van lichamelijke arbeid schakelden de cisterciënzers lekebroeders of conversi in. Dit waren in zekere zin “tweederangs” monniken. Ze hadden de geloften afgelegd, maar geen priester en konden dus ook niet aan alle activiteiten binnen het klooster deelnemen. Wel werden ze gedwongen gehoorzaamheid aan de abt te beloven. Het aannemen van conversen is voor de ontwikkeling van de cisterciënzerorde belangrijk geweest. De norbertijnen en andere orden besloten later in navolging van de cisterciënzers ook lekebroeders- en -zusters in hun gelederen op te nemen.

De enorme groei van het aantal cisterciënzerkloosters in het begin van de 12de eeuw is voor een belangrijk deel te danken aan de uitstekende organisatie van deze orde. Hoewel de kloosters ver uiteen lagen in veelal geïsoleerde streken, bleven onderlinge band en controle gehandhaafd. Eenmaal per drie jaar ontmoetten de abten van de kloosters elkaar tijdens het Generaal Kapittel, het hoogste bestuursorgaan van de orde. Verder werd ieder klooster eens per jaar bezocht door een abt van een ander klooster. Deze visitaties waren in de eerste plaats bedoeld om te controleren of een klooster naar behoren functioneerde, maar ook om nieuwe ideeën of gezichtspunten van de ordeleiding te introduceren.

Hoewel de cisterciënzers aanvankelijk het armoede-ideaal hoog in het vaandel droegen, werden ze uiteindelijk ook rijk. De overschotten die voortkwamen uit hun ontginnings- en landbouwactiviteiten, werden gebruikt voor de aankoop van woeste gronden. Ondertussen steeg de grondprijs enorm door de groeiende bevolking, de daarmee samenhangende stijgende economische activiteiten en de vraag naar graan en landbouwgronden. De kapitaalaccumulatie die het gevolg was van de voortdurende investeringen in grond, zorgde ervoor dat de cisterciënzers rijk werden.

Als reactie op deze ontwikkelingen ging opnieuw de roep op om een nieuwe kloosterorde te stichten die de gelofte van armoede in praktijk zou brengen. Zo ontstonden in de 13de eeuw nieuwe kloosterorden, waaronder die van de franciscanen en dominicanen. Deze zogenaamde bedelorden wezen aanvankelijk elke vorm van bezit af en hielden zich met name met de prediking van het geloof bezig. In tegenstelling tot de oudere orden vestigden de bedelorden zich vooral in de opkomende steden.

Augustijnen

De augustijnerkanunniken vormden de derde kloosterorde die in de 11de eeuw ontstond als reactie op de verwekelijking van de benedictijnerorde. Ze zagen geheel af van de Regel van Benedictus en kozen ervoor om te leven volgens de voorschriften van de kerkvader Augustinus (354–430). Deze had in een brief een aantal richtlijnen gegeven aan een groep vrouwen die een vroom, gemeenschappelijk leven wilden leiden. Deze richtlijnen, die algemeen en summier waren, werden door de augustijnerkanunniken als een regel (canon) geïnterpreteerd. In tegenstelling tot de seculiere kanunniken, die aan een kerk of kathedraal verbonden waren om getijden te zingen, legden de reguliere augustijnerkanunniken de gelofte van armoede af. De Regel van Augustinus, die feitelijk dus geen orderegel was, werd in de 11de eeuw verder uitgewerkt: er werden strengere maatregelen uitgevaardigd om particulier bezit tegen te gaan en de bewegingsvrijheid van de augustijnen te beperken. Deze verfijnde versie werd nu als ‘tweede regel van Augustinus’(regula secunda) een echt kloosterstatuut en werd door de pausen aanbevolen aan kloostergemeenschappen die niet de Regel van Benedictus volgden. Op deze wijze ontstonden de augustijnerkanunniken en -kanunnikessen, die zich in de 12de eeuw op verscheidene plaatsen in Europa hebben gevestigd.
Binnen de augustijnerorde ontstaan geleidelijk verscheidene kloostergroeperingen. Een daarvan is gevormd rond het klooster van Prémontré nabij het Franse Laon: dit klooster werd in 1120 door Norbertus van Gennep gesticht. De Regel van Norbertus werd in 1126 goedgekeurd door de paus en is afgeleid van de tweede regel van St. Augustinus. Toch bezit deze Regel ook duidelijke cisterciënzertrekken. De volgelingen van deze Regel staan bekend als premonstratenzers of norbertijnen.

De norbertijnen

De norbertijnen groeiden in de loop van de 12de eeuw uit tot een van de meest succesvolle kloosterorden. Een overzicht van de ontwikkeling en verspreiding van de norbertijnenkloosters is te vinden in: Bond 1993. Ze bezaten vestigingen door heel Europa, van Spanje tot Scandinavië en van Ierland tot Palestina. De stichter Norbertus van Gennep (geboren tussen 1080 en 1085) was een zoon van de heer van Gennep en kreeg zijn opleiding aan het hof van de aartsbisschop Frederik van Keulen. Nadat hij enige tijd als kanunnik verbonden was geweest aan de Sint-Victorkerk van Xanten, werd hij aalmoezenier aan het hof van keizer Hendrik V (1106–1125). In 1114 nam hij zijn intrek in de benedictijnenabdij van Siegburg, waar hij in 1115 tot priester werd gewijd. Daarna keerde hij terug naar Xanten. Omdat hij in zijn bevlogenheid bleef hameren op het zorgvuldig naleven van de geloften – waaronder die van armoede – haalde hij zich de ergernis van andere geestelijken op de hals. Zij beschuldigden hem van hypocrisie, omdat hij als erfgenaam van de heer van Gennep bepaald niet onbemiddeld was. Hij besloot daarop zijn eigendommen aan de armen te schenken en vertrok naar Frankrijk.

Stichting Prémontré

Na enige omzwervingen als ‘Wanderprediger’ kwam Norbertus in contact met de bisschop van Laon, een vriend en aanhanger van Bernardus van Clairvaux. De bisschop schonk hem grond bij Prémontré, waarop Norbertus met 13 volgelingen in 1120 een klooster stichtte. De kloostergemeenschap groeide voorspoedig; met Kerstmis 1121 telde ze al 40 kanunniken en enkele conversen. Hoewel Norbertus en zijn volgelingen aanvankelijk de Regel van Augustinus volgden, kozen ze voor de interne organisatie het model van de cisterciënzers. Eenvoud, soberheid, isolement en waardering voor lichamelijke arbeid stonden bij hen hoog in het vaandel. Daarbij richttende norbertijnen zich niet zozeer op een beschouwelijke levenswijze, maar kozen voor een praktische invulling van hun Regel en besteedden veel aandacht aan prediking en zielzorg.
Op aandrang van de Duitse keizer Lotharius II verliet Norbertus Prémontré in 1126 en werd aartsbisschop van Maagdenburg. Deze stad was in die tijd de uitvalsbasis voor de kerstening van Oosteuropese gebieden en Norbertus heeft daar het zijne toe bijgedragen. Door ook hier grote activiteiten als prediker en kloosterstichter te ontplooien, verwierf de norbertijnerorde in dit deel van Europa uitgestrekte gebieden. Norbertus stierf op 6 juni 1134.

In 1128 volgde Hugo van Fosses Norbertus op als abt van Prémontré. Hij introduceerde het cisterciënzer systeem van visitaties in de norbertijnerorde. Later zouden de norbertijnenkloosters op grond van historische of geografische banden ingedeeld worden in een soort bestuurlijke gewesten (circariae). Twee abten per circaria werden daarbij aangesteld om de kloosters te visiteren en rapport uit brengen aan het Generaal Kapittel.

Vrouwen in de orde

De norbertijnenkloosters konden bevolkt worden door mannen, vrouwen of door beide seksen. In het laatste geval was sprake van een dubbelklooster: mannen en vrouwen woonden in één kloostergebouw, weliswaar van elkaar gescheiden, en vormden economisch en bestuurlijk een eenheid. De norbertijnerorde stelde zich aanvankelijk nadrukkelijk open voor vrouwen, waardoor veel kloosters binnen deze orde als dubbelklooster gesticht werden. De intreding van vrouwen moet vanaf het begin groot zijn geweest. Een van de kanunniken van Prémontré meldt rond het midden van de 12de eeuw dat ten minste 10.000 nonnen in de orde waren opgenomen. Hoewel dit aantal ongetwijfeld overdreven is, geeft het aan dat er veel vrouwen toetraden.

De 13de eeuw gaf een explosieve groei van vrouwengemeenschappen te zien. Dit gold niet alleen voor de norbertijnen, maar ook voor de cisterciënzers en de ‘nieuwe orden’, zoals die van de franciscanen en de dominicanen. Ook de buiten een strikt kloosterordeverband levende begijnen zagen hun aantallen enorm toenemen. Mogelijk is het vrouwenoverschot in die tijd een verklaring hiervoor, hoewel er geen harde cijfers voorhanden zijn die dit vermoeden bevestigen. (Milis 1982).

Afschaffen dubbelkloosters

In de loop van de 12de eeuw sloeg het geestelijke klimaat om. In geestelijke kringen werd steeds vaker gewezen op het gevaar van zedeloosheid bij het samenwonen van nonnen en monniken. In 1137 en 1140 werd daarom binnen de norbertijnerorde besloten dat voortaan geen dubbelkloosters meer gesticht zouden worden. De nonnen uit bestaande dubbelkloosters werden ondergebracht in aparte, van een abdij afhankelijke, priorijen. Door een dergelijke ‘ontdubbeling’ zijn verscheidene norbertinessenkloosters ontstaan. Aan het einde van de 12de eeuw besloot het Generaal Kapittel dat in de oude abdijen geen vrouwen meer aangenomen mochten worden. Het was nog wel mogelijk om zelfstandige vrouwenkloosters te stichten, hoewel leden van de orde ook hier bedenkingen over hadden.

Dergelijke zusterkloosters werden vaak door buitenstaanders gesticht en van een financiële basis voorzien. Voorbeelden hiervan zijn het klooster Lelindaal bij Mechelen (gesticht rond 1235) en Koningsveld bij Delft (1251). In het volgende hoofdstuk zullen we zien dat Sint-Catharinadal weliswaar een nieuwe kloosterstichting was, maar dat het waarschijnlijk ook nonnen heeft opgenomen uit een klooster te Zandvliet, dat door ontdubbeling ontstaan was.

Voordat er sprake was van ontdubbeling van kloosters floreerde de orde en kwamen er steeds nieuwe vestigingen bij. In de Lage Landen werd al twee jaar na de stichting van het klooster te Prémontré in 1120 een norbertijnerklooster gesticht in Floreffe (bij Luik). Dit klooster zou uitgroeien tot een van de grootste abdijen van de orde. Weer twee jaar later, in 1124, werd een nieuwe vestiging gesticht in Antwerpen, Sint-Michiels genaamd. Dit klooster was het moederklooster van de abdijen van Tongerlo (1130) en Averbode (1134–35) in het huidige België; beide bestaan nog steeds. In 1128 werd in Park bij Leuven door de hertog van Brabant een norbertijnenabdij gesticht. Rond 1140 werd vervolgens in de Belgische Kempen de abdij van Postel gebouwd.

Voor een volledig overzicht van alle stichtingen van norbertijnerkloosters in de Nederlanden:

Overzicht van stichtingen van norbertijnenkloosters in de Nederlanden

Stichtingsdata (vóór 1300) van norbertijnen- en norbertinessenkloosters in de Nederlanden. De gegevens m.b.t. de stichtingsdata, die soms niet geheel met elkaar in overeenstemming zijn, zijn ontleend aan: Backmund 1949–1956 en Bond 1993.

BB = circarie Brabant (Belgische deel)

BN = circarie Brabant (Nederlandse deel)

F = circarie Friesland

V = circarie Vlaanderen

W = circarie Westfalen.

V

Stichtingsdata in de Nederlanden
Antwerpen 1124 BB
Grimbergen 1128 BB
Park (bij Leuven) 1128 BB
Middelburg 1128 BN
Gempe 1129 BB
Mariënweerd 1129 BN
Tongerloo 1130 BB
Averbode 1134 BB
Berne 1134 BN
Woerd (Altforst) ca.1135 BN
Postel 1135 BB
Veurne (St. Nicolaas) 1135 BB
Ninove 1137 BB
Peteghem na 1137
Drongen 1138 V
Nieuwenrode 1133–1139 BB
Dieleghem 1140 BB
Tusschenbeek 1148 V
Mariëngaarde 1163 F
Dokkum na 1163 F
Eeuwen 1141–1167 BB
Hoftenvrouwen 1176–1179 V
Bethlehem (Oudkerk) 1170 F
Deventer voor 1180 W
Tzjummarum 1182 F
Bajum ca. 1186 F
Lidlum voor 1187 F
Pamel 1188 BB
Dokkum voor 1200 F
Keizersbosch ca. 1200 BN
Houthem 1201 W
Kusemer ca. 1204 F
Olde-/Nijeklooster ca. 1204 F
Palmar ca. 1204 F
Schildwolde ca. 1204 F
Wittewierum 1204–1209 F
Zennewijnen 1214 BN
Serooskerke 1215 BN
Heiligerlee 1223 F
Mechelen ca.1233 BB
Gerkesklooster 1244 F
Buweklooster ca. 1250 F
Delft 1251 BN
Zandvliet 1254 BB
Wouw/Breda 1271 BN
Veenklooster 1235–1287 F
Vinea Domini/’tZand 1235–1287 F 

&Afbeelding obit2&
Kaart van de Nederlanden waarop alle stichtingen zijn aangegeven:

Afb. 8 Verspreiding van de norbertijnerkloosters in Nederlands en Belgisch Brabant

Norbertijnen vestigden zich ook op andere plaatsen in de Nederlanden. De eerste vestiging van norbertijnen in de provincie Noord-Brabant vond plaats te Berne (bij Heusden) in 1134. Destijds lag het klooster te Berne in het graafschap Holland. Het viel onder het bisdom Utrecht, in tegenstelling tot de kloosters van het hertogdom Brabant die tot de bisdommen Luik of Kamerijk behoorden.

De stichting en snelle expansie van de kloosters van de norbertijnen en van andere kloosterorden in de 12de en 13de eeuw, waren niet zozeer het resultaat van een bewust gekozen beleid, als wel het gevolg van de sociaal-politieke situatie in die tijd. Lokale en regionale machthebbers stimuleerden vaak de stichting van kloosters. Religieuze motieven waren daarbij niet altijd doorslaggevend. Door kloosters te stichten konden wereldlijke heren hun politieke macht consolideren. De hertog van Brabant bijvoorbeeld was voogd over de abdijen van Tongerlo en Postel en kon zo invloed uitoefenen op de goederen van en schenkingen aan beide abdijen.(Theuws 1989, p. 197). Van deze verwevenheid tussen klooster en wereldlijke macht was ook sprake bij de stichting van het norbertinessenklooster Sint-Catharinadal.

Norbertijnen vestigden zich ook op andere plaatsen in de Nederlanden. De eerste vestiging van norbertijnen in de provincie Noord-Brabant vond plaats te Berne (bij Heusden) in 1134. Destijds lag het klooster te Berne in het graafschap Holland. Het viel onder het bisdom Utrecht, in tegenstelling tot de kloosters van het hertogdom Brabant die tot de bisdommen Luik of Kamerijk behoorden.

De stichting en snelle expansie van de kloosters van de norbertijnen en van andere kloosterorden in de 12de en 13de eeuw, waren niet zozeer het resultaat van een bewust gekozen beleid, als wel het gevolg van de sociaal-politieke situatie in die tijd. Lokale en regionale machthebbers stimuleerden vaak de stichting van kloosters. Religieuze motieven waren daarbij niet altijd doorslaggevend. Door kloosters te stichten konden wereldlijke heren hun politieke macht consolideren. De hertog van Brabant bijvoorbeeld was voogd over de abdijen van Tongerlo en Postel en kon zo invloed uitoefenen op de goederen van en schenkingen aan beide abdijen.(Theuws 1989, p. 197). Van deze verwevenheid tussen klooster en wereldlijke macht was ook sprake bij de stichting van het norbertinessenklooster Sint-Catharinadal.

Stichting te Wouw, 1271

Wouw

De norbertinessen van het klooster Sint-Catharinadal in Breda waren oorspronkelijk gevestigd in Wouw, een plaats ten westen van Roosendaal. Het klooster werd rond 1270 gesticht en was een van de vroegste kloosters in Noordwest-Brabant. De streek tussen Roosendaal en Bergen op Zoom was lange tijd een drassig gebied met moerasbossen en hoogvenen. Pas in de tweede helft van de 13e eeuw was hier bewoning mogelijk. Wouw en zijn direkte omgeving vormen hierop een uitzondering. (Zie hiervoor Leenders 1993)
Rond 1300 woonden in Wouw en direkte omgeving naar schatting 3000 mensen. Naast het norbertinessenklooster bezat Wouw in die tijd een kerk en een kasteel, dat toebehoorde aan de heren van Breda. De locatie en het grondplan van dit kasteel zijn uit archeologisch onderzoek bekend.(Van Nispen tot Sevenaere 1943). Dit geldt echter niet voor de kloostergebouwen. Het klooster heeft mogelijk gelegen op een verhoging in het landschap ten noordoosten van het gehucht Vroenhout aan de Holdenbergesestraat. Daar ligt in de buurt een boerderij die ‘Sint Catharinadal’ heet. (Mededeling K. Leenders)

Wouw viel, evenals praktisch de hele provincie Noord-Brabant, onder het ambtsgebied van de bisschop van Luik. Namens deze bisschop werd op 10 januari 1271 de kloosterkerk ingewijd door Petrus, wijbisschop van Odense (Denemarken).(Oosterhout, archief St. Catharinadal, charter 1) Vreemd genoeg had het klooster op dat ogenblik twee kerkhoven. In het altaar werden bij deze gelegenheid verscheidene relieken geplaatst, waaronder haren van de heilige maagd, en relieken van de apostelen Petrus en Bartholomeus en van Sint Pancratius.

Servatius, de stichter

Het klooster Sint-Catharinadal werd gesticht door Servatius van Breda. Over de achtergrond van Servatius is weinig met zekerheid bekend. Hij was in elk geval niet van adel; hij werd tenminste nooit met een adellijke titel aangeduid. Wel moet hij een vermogend man zijn geweest en vertoefde hij in kringen van de heren van Breda. Zo werd Servatius in een aantal akten aangeduid als dienaar van Hendrik V, heer van Breda tussen 1254 en 1268. Ook diens opvolger, Arnold van Leuven (1269- 1287), bleek met Servatius samen te werken. Daarnaast valt uit de archiefstukken op te maken dat Servatius ook relaties had met de hertog van Brabant. In 1273 verkocht Servatius namelijk in opdracht van de hertog gronden aan de Sint-Bernardsabdij (Goetschalckx en Van Doninck nr. 322 en 325).
Gelet op de relatie met de heren van Breda is het niet onwaarschijnlijk dat Servatius slechts een stroman was bij de stichting van het klooster. In elk geval werd vanaf het begin vanuit Breda meer dan gewone belangstelling getoond voor Sint- Catharinadal. Op 6 juli 1271 namen Arnold van Leuven en diens vrouw Elisabeth van Breda, de heer en de vrouwe van Breda, plechtig het klooster onder hun bescherming ‘tot vergeving (…) van onze zonden en tot zieleheil van onze voorvaderen’, zoals de gebruikelijke formulering in die dagen luidde.

[Afbeelding obit3]

Bovendien verleenden ze het klooster vrijstelling van de jaarlijkse lasten die op de gronden drukten (A. Catharinadal, Charter nr. 2, 5 en 13). Ook bij latere schenkingen van de heer van Breda aan het klooster zien we dat hij het klooster bijna als een eigen stichting beschouwde.

De belangstelling van de heren van Breda voor het nieuwe klooster zal zeker niet alleen religieus van aard zijn geweest. Politieke motieven speelden mee. De stichting van kloosters was een middel om macht te consolideren en waarschijnlijk volgden de heren van Breda hiermee een voorbeeld van hun leenheer, de hertog van Brabant. Deze begunstigde regelmatig uit tactische overwegingen kloosters in zijn machtsgebied.

Volgens de overlevering zou Servatius het klooster Sint- Catharinadal gesticht hebben voor zijn zeven dochters. Vele en vele eeuwen werd Servatius ieder jaar op 1 april herdacht tijdens het koorgebed met een Miserere als stichter van het klooster, samen met zijn vrouw Ymezoete en zijn zoon Victor ([NC250],[NC1]). Hoewel een dergelijk verhaal ook over andere kloosterstichtingen bekend is, moeten we het niet zomaar geloven. In dit geval zijn weliswaar de namen van de dochters bekend, van wie de oudste Catharina heette, maar deze gegevens komen niet uit eigentijdse bronnen. Ze worden pas aan het eind van de 17e eeuw vermeld door proost Van der Malen.

Dubbelklooster ?

De akte van toetreding van het klooster tot de norbertijnenorde werpt een ander licht op de achtergrond van de stichting. De incorporatie-akte vermeldt dat op dat moment reeds een aantal norbertinessen in het klooster aanwezig was. Waarschijnlijk waren deze zusters van elders afkomstig en zijn ze samengevoegd met een groep vrouwen die Servatius bij elkaar heeft gebracht. De norbertinessen kwamen misschien uit het nonnenklooster van Zandvliet, een voormalige priorij van de Sint-Michielsabdij te Antwerpen.

Het norbertijnenklooster Sint-Michiels was gesticht in 1124, vier jaar na de stichting van Prémontré. Aanvankelijk was het een dubbelklooster: mannen en vrouwen woonden samen binnen de kloostermuren, hoewel de vrouwen vanaf 1135 een eigen kerk bezaten. De omslag in de ideeën over het samenwonen van mannen en vrouwen leidde ook in Antwerpen aanvankelijk tot een scheiding binnen het klooster. In 1254 werd werd de fysieke afstand nog groter, toen de vrouwenafdeling van Antwerpen naar Zandvliet ten noorden van Antwerpen werd verplaatst (Van den Noortgate 1992, p. 438 en Goetschalckx en Van Doninck 1926 p. 148–149). De nonnen leidden in Zandvliet vermoedelijk een noodlijdend bestaan. Ze hebben in elk geval nauwelijks sporen achtergelaten, zelfs niet in schriftelijke bronnen uit die tijd.

In mei 1271 – de kerk van Sint-Catharinadal was enkele maanden van tevoren gewijd – ontving de heer van Breda geld van de abt van Sint-Michiels (Goetschalckx en Van Doninck 1926 p. 220- 223). Hij kreeg dit in ruil voor de erkenning van de eigendomsrechten van Sint-Michiels in Zandvliet. Servatius trad bij het opstellen van de verklaring op als getuige. Twee maanden later stelden de heer en vrouwe van Breda het klooster onder hun bescherming. De tekst spreekt dan al, nog voor de incorporatie in de orde, over het klooster als behorende tot de norbertijnenorde. Het is niet onwaarschijnlijk dat bij de eigendomsregeling met Sint-Michiels ook een soort afkoopregeling heeft plaatsgevonden, waarbij de nonnen van Zandvliet door de heer van Breda werden ‘overgenomen’ en in het nieuwe klooster bij Wouw werden ondergebracht. Hoewel een en ander niet bewezen kan worden, is het duidelijk dat Sint- Michiels de nonnen liever kwijt dan rijk was. In 1270 werd het verbod op dubbelkloosters nogmaals bevestigd door het Generaal Kapittel, terwijl de abt van Floreffe zelfs aandrong op een volledige opheffing van de norbertinessenkloosters. Het samengaan van de nonnen uit Zandvliet met de zusters die al in Catharinadal woonden, zou een mogelijk verklaring kunnen zijn voor de aanwezigheid van twee kerkhoven bij het klooster (Er waren overigens in de Sint-Michielsabdij ook twee kerkhoven voorhanden. Deze lagen weliswaar tegen elkaar aan, gescheiden door een haag, maar bij de herwijding ervan bleek dubbeltelling voor de bisschop meer op te brengen (Goetschalckx en Van Doninck 1926 p. 255). De aanwezigheid van twee kerkhoven op Catharinadal heeft mogelijk dan ook niet méér uitleg nodig).

Opname in de orde

Na inwijding van het klooster reisde Servatius in oktober 1271 af naar Prémontré om het Generaal Kapittel te verzoeken zijn stichting officieel op te nemen in de orde. De aanwezige abten keurden daar in de algemene vergadering zijn verzoek goed. Verder werd bepaald dat de abt van Prémontré toezicht zou houden op het klooster. In de praktijk werd dit echter gedaan door zijn vertegenwoordiger, de proost van het klooster. Aangezien Servatius een groot deel van zijn bezittingen aan het klooster had geschonken, mocht hij tot aan zijn dood de goederen ervan beheren. Na zijn dood zou de proost deze taak op zich nemen.

Kloosterorganisatie

De kloosterzusters kozen uit hun midden een priorin, die de dagelijkse leiding had. Zij kreeg assistentie van een subpriorin.In belangrijke zaken werd de priorin bijgestaan door de proost, die ook de materiële belangen van het klooster behartigde. Aanvankelijk was de proost de vertegenwoordiger van de vader-abt.De laatste kon een abt van een ander klooster zijn, maar in het geval van St.Catharinadal was de vader-abt de prior-generaal van de orde (d.w.z. de abt van Prémontré). De vader-abt, als uiteindelijke bewaker van de geestelijke en materiële staat van het klooster, had het recht en de plicht tot visitatie en correctie van de kloosterlingen die onder zijn gezag vielen. Voor een lijst van alle proosten: %Bijlage proosten%. Hier tevens meer informatie over de soms moeizame relatie tussen klooster en proost.

Overstroming

Het klooster bleef niet lang te Wouw gevestigd. Proost Van der Malen geeft in de 17e eeuw in zijn kroniek de volgende reden: “Anno 1288 was ter eenen allegrooten watervloet, soo dat Lillo geheel onder water was, als wanneer ons clooster tot Woude met de wateren verdorven is geweest.” Uit andere historische bronnen is bekend dat er kort voor maart 1284 een dijkdoorbraak te Lillo plaatsvond.De overstromingen in deze jaren veroorzaakten blijkbaar zulke grote problemen dat de zusters gedwongen waren hun klooster te verlaten en elders onderdak te zoeken. Een vermelding in een historische bron lijkt er op te wijzen dat de zusters tijdelijk in Roosendaal zijn gaan wonen Archief St.Bernardusabdij Bornem charter dd 14 sept. 1295.

Naar Breda

Samengaan met gasthuis

In 1295 haalde Raso II van Gavere ‘zijn’ klooster naar Breda. Deze heer van Breda regeerde tussen 1291 en 1306.Aangezien het klooster in de voorgaande jaren nogal wat bezittingen rondom Breda had verworden, was de stad vanuit dit oogpunt een logische standplaats.In hetzelfde jaar besloot Raso II de goederen van Catharinadal en die van het stedelijke gasthuis samen te voegen A. Cath. Charters 14d en 14e. Dit gebeurde met instemming van de abt van Prémontré, het Generaal Kapittel, de proost en het stadsbestuur.Het klooster en de proost moesten voortaan naast hun eigen goederen ook die van het gasthuis beheren.

Ontwikkeling van Breda in de 13e eeuw

Breda was aan het einde van de 13e eeuw een nog betrekkelijk jonge nederzetting, die zich spoedig tot een belangrijk regionaal centrum zou ontwikkelen. De stad was ontstaan bij en versterking die voor het eerst in 1198 als Castellum de Breda vermeld wordt, maar vermoedelijke veel ouder is. Deze versterking lag in de nabijheid van het huidig kasteel in de stad (op het terrein van de Koninklijke Militaire Academie) en was de machtsbasis van de heren van Breda. De ligging van Breda was gunstig: de stad lag langs de rivier de Mark in het overgangsgebied tussen de hogere zandgronden in het zuiden en de laaggelegen, natte veen- en kleigebieden van de Maasvallei in het noorden. Breda vormde in zekere zin de ‘toegangspoort’ tot het noordwestelijke deel van het hertogdom Brabant.Door deze strategische ligging was het een ideale plaats om tol te heffen, wat de heren van Breda dan ook deden vanaf de tweede helft van de 12e eeuw. Voor een plattegrond van Breda in de 14e eeuw:

&Obit4&De stad Breda in de 14e eeuw. In rood aangegeven de stadsmuren. Ook zijn de bestaande straten aangegeven in wit.

Om hun inkomsten verder te vergroten en hun status te verhogen, stimuleerden de heren van Breda de ontwikkeling van de nederzetting. In 1252 kreeg Breda stadsrechten. In de loop van de 13de eeuw werden er havenfaciliteiten aangelegd en kreeg de stad aan de landzijde een stadswal en een stadsgracht. In de nabijheid van het castellum werd rond 1267 een begijnhof gesticht. In 1303 werd bovendien aan de Grote Kerk van Breda een (seculier) kapittel verbonden, dat ook extra allure aan de stad moest geven. Uiteraard zou de vestiging van een klooster binnen de stad, zeker een dat voornamelijk bevolkt werd door leden uit vooraanstaande families, het stadsidee extra versterken en daardoor het aanzien van de heren van Breda vergroten.

Het gasthuis te Breda

Het gasthuis dat samengevoegd werd met het norbertinessenklooster, lag net buiten de stadswal aan de Boschstraat, de oostelijke toegangsweg die naar de stad leidde. Zie voor de geschiedenis van het gasthuis: IJsseling 1988. Het gasthuis wordt voor het eerst vermeld in 1246. In het begin zal het gasthuis multifunctioneel zijn geweest. Het bood onderdak aan pelgrims en vreemdelingen, en hield zich bezig met de verpleging van armen en zieken.

Of de zusters van Sint-Catharinadal ook zelf in het gasthuis woonden, is niet duidelijk. Het is niet uitgesloten dat ze bij aankomst in Breda in 1295, direct begonnen zijn met de bouw van een eigen klooster op enige afstand van het gasthuis. Elders zien we iets vergelijkbaars gebeuren. Het norbertinessenklooster Koningsveld in Delft bijvoorbeeld hield er vanaf de stichting in 1252 eveneens een gasthuis op na, dat geheel buiten het eigen klooster(slot) was gelegen.

Nieuwe behuizing

Het samengaan van het Bredase gasthuis met het klooster Sint- Catharinadal is slechts van korte duur geweest. In 1308 werden klooster en gasthuis weer van elkaar gescheiden. (Oosterhout, archief St. Catharinadal, Charters nr. 16b). Wat de reden hiervoor is geweest, is niet echt duidelijk. Mogelijk was de beschouwende levenswijze van de zusters niet te verenigen met het verzorgende werk in het gasthuis. Ook zijn er aanwijzingen dat vanuit de orde van Prémontré de teugels strakker aangetrokken werden. Hoewel in 1295 de abt van Prémontré nog instemde met de vereniging met het gasthuis, zien we dat in de zelfde periode een versterking van het kloosterslot binnen de orde gepropageerd werd. Aan dat laatste zaten twee kanten. Enerzijds mochten de zusters en de priorin het klooster niet meer verlaten, behalve als ze daar een heel goede reden voor hadden; anderzijds mochten buitenstaanders het klooster niet meer betreden. Dit gold in het bijzonder voor mannen. Hierdoor werd het contact met de buitenwereld tot het minimum beperkt.

Het strengere beleid dat in deze tijd opgang doet, kan geïllustreerd worden aan de hand van het vrouwenklooster Keppel in het Rijnland. Dit klooster werd in 1294 bezocht door twee abten, die het een fenestra locutoria (een spreekluikje) voorschreven. Maar dat was niet het enige: ook achtten zij het noodzakelijk dat er een slot op de deur werd aangebracht dat met twee sleutels geopend moest worden; de ene sleutel was in het bezit van de priorin en de andere droeg de proost bij zich.

Het is goed mogelijk dat deze ontwikkelingen het samengaan van het klooster met het gasthuis onmogelijk maakten. Bovendien waren de voorname zusters misschien niet zo geschikt voor een dienende functie in het gasthuis. En dat terwijl de groeiende stad natuurlijk wel gebaat was bij een goed lopend gasthuis.

Op 22 april 1308 werd de scheiding van Sint-Catharinadal en het gasthuis bekrachtigd door het stadsbestuur van Breda. De akte waarin de scheiding vastgelegd werd, geeft geen uitsluitsel over het wel of niet al aanwezig zijn van kloostergebouwen. Opvallend is ook dat weinig aandacht wordt besteed aan de verdeling van het goederenbezit. Blijkbaar was de herkomst van de goederen nog duidelijk. Het enige wat bij de scheiding bepaald werd, was het recht van overpad. De zusters van Sint-Catharinadal kregen een eigen uitweg, gelegen aan de buitenzijde van de stadsgracht. Het lijkt erop dat de nonnen altijd de nabije Gasthuispoort bereikt hebben via het gasthuisterrein.

Nu de goederen van gasthuis en klooster gescheiden werden, gaf het recht van overpad problemen. Wanneer er sprake zou zijn van een nieuw te bouwen klooster, zou dit probleem uiteraard niet hoeven te spelen. Het valt dus niet uit te sluiten dat er in 1308 al sprake was van een klooster op het terrein van de huidige Kloosterkazerne.

De beginperiode van Sint-Catharinadal: 1308–1463

Locatie

Het nieuwe klooster werd in 1308 of kort daarvoor net buiten de stad op de top van een (dek)zandrug gebouwd. Wie vanaf de Oude Vest naar de Kloosterkazerne kijkt, kan de relatief hoge ligging nu nog steeds duidelijk waarnemen. Door deze ligging maakt het klooster, in het bijzonder de kerk, nog steeds een imposante indruk. Het reliëf heeft ook invloed gehad op de ontwikkeling van het klooster: de sterk dalende zandrug in zuidoostelijke richting verklaart waarom aan deze zijde geen kloostergebouwen zijn opgetrokken.

In het noorden grensde Sint-Catharinadal aan het oude gasthuisterrein. Aan de westzijde van het klooster liep volgens een vroeg 18de-eeuwse stadsplattegrond, die teruggaat op een oudere, middeleeuwse kaart, een weg. Via een brug over de stadsgracht (nu Oude Vest) en langs de Gevangenispoort verleende de weg toegang tot de stad. Net als bij het gasthuis lijkt het klooster dus ook aan een van de toegangswegen van de stad te liggen. Of deze weg, die verder in zuidelijke richting naar Bavel en Gilze liep, er al was vanaf het begin van de 14de eeuw, is niet bekend.

Het gebied waar het klooster Sint-Catharinadal werd gebouwd, was voordien gedeeltelijk in gebruik als wei- of akkerland. Bij het archeologisch onderzoek in 1993 kwamen aan de oostzijde van de Kloosterkazerne sporen van greppels en akkers aan het licht. Aanvullend micromorfologisch onderzoek toonde aan dat de natuurlijke bodem eerst was omgewerkt voordat men tot het verbouwen van gewassen was overgegaan. (Het micromorfologisch onderzoek werd uitgevoerd door R. Exaltus (Stichting RAAP, Amsterdam).

Ruim voordat de locatie in de late Middeleeuwen in gebruik werd genomen als akkergrond en bouwplaats, was de zandrug reeds in de IJzertijd en/of vroeg-Romeinse tijd (ca. 700 v. Chr. – begin jaartelling) bewerkt of bewoond geweest. Tijdens het archeologisch onderzoek zijn in een oude cultuurlaag scherven uit deze periode aangetroffen. Vondsten van die ouderdom zijn van meer plaatsen uit de binnenstad van Breda bekend. In 1982 en 1991 werd in de Molenstraat, vlakbij de Kloosterkazerne, zelfs een deel van een akkercomplex uit deze periode opgegraven.

De kloostergebouwen

In 1993 en 1994 werden op verschillende plaatsen in en naast de Kloosterkazerne opgravingen uitgevoerd. Aanleiding waren de bouw van het nieuwe Chassé-theater en de plannen voor de herinrichting van de Kloosterkazerne. In eerste instantie vond het onderzoek plaats aan de oostzijde van de Kloosterkazerne, later werd ook gegraven op de binnenplaats en in de kloostergebouwen. Naast archeologisch onderzoek werd ook bouwhistorisch onderzoek verricht. De gecombineerde onderzoeksresultaten hebben veel informatie opgeleverd over de omvang en de bouwgeschiedenis van Sint-Catharinadal. De schriftelijke bronnen over het klooster, die ook in het onderzoek zijn betrokken, bevatten op die punten doorgaans slechts summiere aanwijzingen.

Voor een reconstructietekening van de oudste fase van het klooster Sint-Catharinadal te Breda:

&Obit5&Driedimensionale reconstructie van de oudste fase van het klooster St. Catharinadal in Breda (begin 14e eeuw)

De kloosterkerk

Het klooster lijkt vanaf het begin volgens een min of meer vierkant grondplan te zijn gebouwd. Zo’n carré-vorm, waarbij de hoofd- en bijgebouwen rond een plein (het zogenaamde pandhof) waren gebouwd, is kenmerkend voor veel middeleeuwse kloosters. Aan de noordzijde van het carré bevond zich bij Sint-Catharinadal de kerk, het belangrijkste gebouw van het klooster. Het kerkgebouw dat nu nog overeind staat, is opgericht tussen 1500 en 1502. Bij de opgravingen in de kerk werden funderingen van een 14de-eeuwse voorganger teruggevonden. Deze oudste kerk wordt in de archieven voor het eerst vermeld in 1314 en was ook gewijd aan de heilige Catharina.
De 14de-eeuwse voorganger was een eenvoudige zaalkerk, die vreemd genoeg geen apart koorgedeelte bezat. Het gebouw had een lengte van 28 meter en was bijna 9 meter breed (baksteenformaten: 26/27 x 13 x 6/7 cm). De kerk had waarschijnlijk alleen op de hoeken steunberen. Tijdens de opgraving konden echter alleen de steunberen bij de noordoosthoek onderzocht worden. Omdat steunberen verder langs de kerkmuur ontbraken, waren waarschijnlijk slechts kleine vensteropeningen in de muren mogelijk. Hierdoor zal het gebouw kenmerken van de Romaanse bouwstijl hebben gehad. Dat is opmerkelijk, omdat in de 14de eeuw al volop in Gotische stijl gebouwd werd. De Gotiek wordt onder meer gekenmerkt door het gebruik van steunberen, waardoor grotere vensters mogelijk waren. Verder zou men de kerk van een Gotisch koor hebben voorzien. Waarom de kloosterlingen hun eerste kerk in een verouderde bouwstijl hebben opgetrokken, is vooralsnog onduidelijk.

Over het kerkinterieur weten we weinig. Dat geldt eveneens voor het interieur van de overige kloostergebouwen. Histo- rische bronnen maken melding van de aanwezigheid van een hoogaltaar en een vooraltaar. (Oosterhout, archief St. Catharinadal, M&R nr. 4 f. 1–1v). Dit laatste werd in 1440 een nieuw altaar genoemd. In 1453 en 1457/58 zijn er (gebrandschilderde?) ramen in de kerk geplaatst. Tijdens de opgraving werden in de kloosterkerk verscheidene losse vloertegels aangetroffen. Een aantal van deze tegels zijn met uiteenlopende motieven versierd en hebben mogelijk in de 14de- eeuwse oude kerk gelegen.

De westvleugel

Pal tegen de zuidkant van de kerk lag een grote westvleugel. Beide zijn waarschijnlijk gelijktijdig gebouwd. Wegens praktische omstandigheden bleef het archeologisch en bouwhistorisch onderzoek in deze westvleugel beperkt tot enkele waarnemingen. Toch zijn de onderzoeksresultaten zeer interessant.
De westvleugel had een afmeting van 31 bij 10 meter en bestond uit twee, mogelijk drie zalen. Uit 17de-eeuwse plattegronden valt op te maken dat zich binnen de westvleugel van noord naar zuid respectievelijk het kapittel, de schrijfkamer (of kantoor) en het convent (werkkamer) bevonden. Daarboven, op de eerste verdieping, lag de dormter (slaapvertrekken). Of deze indeling er ook zo uitzag in de 14de eeuw, is (nog) niet zeker. Onder de conventsruimte ligt een grote kelder met drie gemetselde zuilen. Deze kelder dateert vermoedelijk uit de 14de eeuw en is in de loop van de 16de eeuw verbouwd. In deze vleugel zal ook de priorin gehuisvest zijn geweest, van wie we weten dat ze in 1358 over een eigen kamer beschikte. (Oosterhout, archief St. Catharinadal, cartularium b f. 13 en Charters nrs. 158a en 285). In de westvleugel en de kloosterkerk waren ongetwijfeld in de beginperiode de kernactiviteiten van het klooster geconcentreerd.

De oostzijde

De oostzijde van het kloosterhof werd gevormd door een gebouw dat was opgetrokken in vakwerk. Aanwijzingen hiervoor vormen ondiepe funderingssporen en de vondst van grote hoeveelheden verbrand vakwerk. In tegenstelling tot baksteenbouw, wordt bij vakwerkbouw gebruik gemaakt van een houtskelet, met daartussen vlechtwerk dat afgesmeerd is met leem. Bij een brand wordt dit leem hard gebakken en blijft in brokstukken in de bodem achter. Hieronder lag een kelder van 8 x 8 meter.

Waar het vakwerkgebouw en de kelder precies voor gediend hebben, is niet duidelijk. In de nabijheid zijn sporen gevonden van een houten waterput en een flink aantal afvalkuilen. Dit wijst erop dat hier niet het meest representatieve deel van het klooster gevestigd was. Ook de vakwerkbouw zelf bevestigt dit, evenals het feit dat in de 15de eeuw een grote, gemeenschappelijke latrine werd gebouwd in de nabijheid van het vakwerkgebouw. Vermoedelijk waren in het oostelijk deel van het klooster in de 14de en 15de eeuw de bedrijfsruimten gevestigd.

De zuidzijde

Vermoed wordt dat in deze periode er ook bijgebouwen aan de zuidzijde van de westvleugel stonden. Uit 17de-eeuwse plattegronden valt op te maken dat daar de keuken lag. Deze plaats werd niet archeologisch onderzocht, zodat niet bekend is of deze situatie al aanwezig was in de vroegste fase van het klooster. Het is wel opvallend dat in de buurt grote 14de- eeuwse afvalkuilen werden gevonden, gevuld met keukenafval. Mogelijk was de keuken gevestigd in een apart gebouwtje, dat in verband met brandgevaar, aan de zuidzijde van de westvleugel lag.

De kloostergang

De belangrijkste delen van een klooster werden vaak met elkaar verbonden door een kloostergang. Zo’n kloostergang was ook in Sint-Catharinadal aanwezig, maar is er niet vanaf het begin geweest en is niet in één keer tot stand gekomen. Aan de westzijde van het binnenplein heeft al vroeg een smalle kloostergang gelopen, waardoor de kloosterlingen vanuit de westvleugel de kerk konden betreden. In 1428 of 1429 is er sprake van een rondomgaande gang in de nabijheid van, maar buiten de kerk: ‘in ambitu prope et extra ecclesiam’. Philips van der Lek, bastaardzoon van Jan II van Polanen (heer van Breda tussen 1350 en 1378) wenst namelijk op deze plaats binnen het klooster begraven te worden. (Oosterhout, archief St. Catharinadal, Charters nr. 226). Ook aan de oostkant van het kloosterplein zijn er aanwijzingen voor de aanwezigheid van een kloostergang. Langs het vakwerkgebouw werd een ondiep funderingsspoor van een muur van een smalle gang aangetroffen. Uit welke tijd deze gang dateert is nog niet bekend.

Kloostermuur

Een tweede element dat de samenhang, maar vooral ook de beslotenheid van de religieuze gemeenschap bevestigt, is de kloosterommuring. Het kloostercomplex van Sint-Catharinadal heeft nooit een volledig gesloten bebouwing gekend, maar werd met name aan de oost- en zuidzijde van de buitenwereld afgescheiden door een kloostermuur. Aan de oostzijde is deze muur over de volledige lengte teruggevonden. Deze dateert in aanleg uit de 14de eeuw. Ook de zuidzijde heeft waarschijnlijk in deze periode een kloostermuur gekend, maar hiervan zijn tijdens het archeologisch onderzoek geen sporen aangetroffen. Dat zou het gevolg kunnen zijn van latere bouwactiviteiten. In de 15de eeuw was deze muur aan de zuidzijde in ieder geval wel aanwezig.

Pandhof

De muren en de gebouwen vormden de grens van het binnenplein van het klooster. Over de inrichting van de pandhof is nog niet veel bekend. De noordzijde, nabij de kerk, werd in de 14de eeuw tijdelijk als begraafplaats gebruikt. De hoofdingang van het klooster lag, net als tegenwoordig, waarschijnlijk ten oosten van de kerk. Deze plaats is nog niet archeologisch onderzocht.

Vijver

Buiten de kloostermuur kwam aan de zuidoostzijde van het complex een opmerkelijk spoor aan het licht. Het betreft een grote, brede en diepe ingraving (21 bij 10 meter). Voorlopig houden we het erop dat dit een vijver is geweest. De vijver had een houten beschoeiing en aan de zuidzijde lag een houten steiger. De vijver versmalde zich in noordoostelijke richting en werd langs een bakstenen muur geleid. Deze muur kan een stuwende werking hebben gehad, zodat het bekken ervoor volliep met water. Ook is het mogelijk dat op deze muur een houten radconstructie, behorende bij een watermolen heeft gestaan.

Het is nog onduidelijk welke functie de vijver heeft gehad. Micromorfologisch onderzoek heeft duidelijk gemaakt dat de vijver verschillende malen droog heeft gestaan. Hoewel er uit historische bronnen niets bekend is over een watermolen bij Sint-Catharinadal, zijn dergelijke bouwwerken en bijbehorende vijvers wel bekend van andere kloosters. (Zie bijvoorbeeld Coppack 1990, p. 126–127). Een andere optie is dat het hier om een visvijver gaat. De vijver is in de eerste helft van de 16de eeuw gedempt, voorafgaand aan de bouw van een scheidingsmuur tussen het klooster en de stadswal.

Samenstelling en organisatie van het klooster

Aantal nonnen

De historische bronnen over Sint-Catharinadal bevatten betrekkelijk weinig informatie over de kloosterbewoners en de interne organisatie in de beginperiode (tot ca. 1450). Het is zelfs moeilijk om een indruk te krijgen hoeveel nonnen in deze periode in het klooster verbleven. Aanwijzingen over het aantal kloosterlingen zijn schaars en moeten indirect afgeleid worden.
In 1395 bijvoorbeeld kregen de nonnen achttien kussens ten geschenke en in 1427 vierentwintig kussens. (Oosterhout, archief St. Catharinadal, Charters nrs. 122 en 226). In laatstgenoemd jaar schonk Philips van der Lek het klooster deze kussens, die een witte kleur hadden en waarin zijn wapenschild was geweven. De vierentwintig kussens mochten alleen in het koor gebruikt worden op geschikte tijden ter ere van de H. Catharina, patrones van het klooster. (Oosterhout, archief St. Catharinadal, Charters nr. 226). Misschien kunnen we conclusies verbinden over het aantal zusters op basis van dit aantal kussens. Pas in 1463 is er een volledige opsomming van de koorzusters. Er verblijven dan 12 koorzusters in Sint-Catharinadal. Dat is weinig, in vergelijking met andere norbertinessenkloosters.
Het Generaal Kapittel bepaalde in 1231 dat het klooster Zennewijnen niet meer dan 24 zusters mocht hebben (Harenberg 1980). Het klooster Langwaden tussen Keulen en Dsseldorf kende in 1335 een numerus clausus van 27 koorzusters (Bitter 1969, p. 236). Het maximale aantal zusters in het klooster Sint-Gerlach werd in 1345 op 30 gesteld (Franquinet 1877, p. 44–45). Het klooster O.L.V. Besloten Hof in Herentals werd in 1410 gesticht voor 15 koorzusters en 5 lekezusters. In 1452 woonden er desondanks 28 koorzusters en 8 lekezusters (Van Spilbeeck 1892, p. 19–21 en 79–80).

Gegoede afkomst

Uit historische gegevens blijkt dat de nonnen van Sint- Catharinadal voor een belangrijk deel afkomstig zijn uit de gegoede burgerij van Breda. Het gaat om de families Van Bergen, Block, Van den Camere, Bynstroe, Van Loenhout, Van den Neste, Van Oekel, Van Oesterzeel, Van Rijswijk, Sterkens, Van der Sterre, Van Wijfliet en Van Ykel. Een enkeling was zelfs afkomstig uit de lokale adel (de geslachten Van Breda, Van der Lek, Van Polanen, Van Drongelen en Van Spout). Dat betekent overigens niet dat uitsluitend dames van stand in het klooster traden. Meestal vermelden de geschreven bronnen alleen de priorin of de zusters die betrokken waren bij eigendomstransacties met naam en toenaam. In beide gevallen ligt een gegoede afkomst voor de hand. De overige, niet bij naam bekende kloosterzusters kunnen ook uit andere lagen van de middeleeuwse samenleving afkomstig zijn. Dat de meeste nonnen afkomstig waren uit de gegoede burgerij of lage adel, lijkt echter wel voor de hand te liggen. Ook bij andere norbertinessenkloosters was dit namelijk het geval (zie Koch 1994).

Verdwijnen proost

De hogere afkomst van de kloosterzusters had gevolgen voor de interne organisatie van het klooster. Dit geldt in het bijzonder voor de relatie en taakverdeling tussen de proost en de priorin van Sint-Catharinadal. Door hun hoge afkomst bezaten de opeenvolgende priorinnen voldoende kennis over goederenbeheer en hadden voldoende relaties om het klooster financieel uitstekend te besturen. De proost, die eigenlijk toezicht moest houden op het goederenbeheer, bleef dat dan ook slechts tot 1330 doen. Daarna nam de priorin deze taak van hem over en handelde het klooster de financiën zelf af. De proost verdween uit akten over goederenverwerving en -beheer.

Met het verdwijnen van de proost rond het midden van de 14de eeuw verzwakte ook de band tussen Sint-Catharinadal en de premonstratenzerorde. Hoe het religieuze leven binnen het klooster rond die tijd georganiseerd was, is niet bekend. Er is historisch weinig bewaard gebleven wat hierop enig licht kan werpen en sprekende voorbeelden van geestelijke vroomheid, zoals geestelijke traktaten, zijn niet voorhanden.

Pas rond het midden van de 15de eeuw hebben we weer enkele aanknopingspunten. Een biechtvader of confessor heeft nu de geestelijke taken van de proost overgenomen. Deze nam de zusters de biecht af en diende soms de Laatste Sacramenten toe. Duidelijk is echter wel dat hij alleen aanwezig was bij de gratie van de nonnen. De biechtvader verbleef niet permanent in het klooster, maar werd ingehuurd. Naast de biechtvader waren er telkens één of twee kapelaans in dienst. Ze moesten de mis lezen op de altaren in de kloosterkerk. Op het hoogaltaar lazen twee priesters de dagelijkse conventsmis. Zij wisselden elkaar om de week af. Op het feest van St. Elizabeth vierde men de hoogmis plechtig, met drie priesters. Geen van hen was echter in vaste dienst. (Oosterhout, archief St. Catharinadal, M&R nr. 1 en nr. 4 f. 1–1v.)

Inkomsten klooster

De zusters van Sint-Catharinadal konden zich dus vanaf het midden van de 14de eeuw vrij zelfstandig gedragen. De banden met de orde waren verzwakt en ook de directe bemoeienis van de heren van Breda met het klooster lijkt in deze tijd te verminderen. De relatie met het stadsbestuur bleef constant en was ook doorgaans goed. De ligging van het klooster buiten de stadsmuren droeg hier zeker aan bij. De contacten met de stadsbewoners waren vooral financieel van aard: het klooster haalde namelijk een deel van zijn inkomsten uit renten op stadshuizen. Deze waren in handen van het klooster gekomen door aankoop of door schenking.

Naast de pachtopbrengsten uit huizen en gronden, waren de dotes de belangrijkste bron van inkomsten voor het klooster. Dit waren de middelen die iedere intredende zuster moest inbrengen en waaruit in haar levensonderhoud kon worden voorzien. Vermoedelijk was een welgevulde beurs noodzakelijk om te kunnen intreden in Sint-Catharinadal. Het bezit van het klooster nam dan ook voortdurend toe.

Sommige kloosterzusters hadden privé-eigendommen. Dit was in strijd met de regel. Deze misstand was echter niet massaal verbreid binnen Sint-Catharinadal en kwam vermoedelijk alleen voor onder zusters van hoge komaf. Zo kwam privébezit in de 14de eeuw voor bij nonnen uit de families Van der Cameren, Bynstroe en Van Oekele, belangrijke patriciërsgeslachten uit Breda. Ze verwierven zelf goederen, meest cijnzen en pachten, en handelden er zelfstandig in. (Oosterhout, archief St. Catharinadal, Charters nrs. 34, 35, 38g, 78, 96, 98, 100 en 115). Dit gebeurde ook in andere kloosters. Bij de kloosterhervorming van Sint-Catharinadal in 1463, die in het volgende hoofdstuk aan de orde komt, werd privébezit verboden. Bij de kloosterhervormingen van 1463 wordt ook het kloosterslot ingevoerd. Voordien lijken de zusters een zekere bewegingsvrijheid te hebben gekend. Zo worden er bedevaarten ondernomen naar het Heilig Sacrament van Niervaart, het Heilig Kruis en naar Amersfoort (Oosterhout, archief St. Catharinadal, M&R bijv. f. 4v, 7v, 100, 100v). Ook ontvangen de zusters in 1446 bezoek van de cisterciënzerzusters van Loosduinen (Oosterhout, archief St. Catharinadal, M&R nr. 1 f. 4v).

Een aardige illustratie van het verwerven van privébezit is de testamentaire beschikking van Philips van der Lek uit 1427. Hij liet aan zijn zus Elizabeth, die op dat ogenblik priorin was van Sint-Catharinadal, enkele legaten na, die pas na haar dood aan het klooster zouden toekomen. Tijdens haar leven mocht Elizabeth deze gebruiken om haar status te kunnen voeren. Een van de zaken die Elizabeth van Philips ontving, was een steen, lobsophier genaamd. Dit was ook een soort wondersteen waarmee mensen, die vermoedelijk aan waterzucht leden, zich konden bestrijken. Na haar dood zou de steen aan het klooster toekomen (Oosterhout, archief St. Catharinadal, Charters nr. 226).

Begravingen

Bij de opgraving in de Kloosterkazerne werden op drie verschillende plaatsen graven onderzocht. De meeste begravingen werden aangetroffen in de kerk. Verder werden ook graven in het noordelijk deel van het pandhof, ten zuiden van de kerk, en in de kloostergang langs de westvleugel aangetroffen.

Plattegrond van de gevonden graven in en rond de kloosterkerk:

&Obit6&

lichtbruin: 14e eeuwse kloosterkerk

bruin: 16e eeuw kloosterkerk

geel: opgegraven

groen: graf 14 eeuw

donkerbruin: graf 16e/17e eeuw

omlijnde graven: grafkelders

Resten van graven

De overledenen waren allen begraven in een houten kist en bijgezet in een grafkuil. In de kerk werden ook drie gemetselde grafkelders teruggevonden. De binnenzijde van deze kelders was bepleisterd. Twee kelders waren aan de binnenzijde op de wand en op de bodem beschilderd met rode kruisen.

In 1673 waren deze drie grafkelders ook al herontdekt in de kloosterkerk. De graven waren ontdekt toen op instructie van de gouverneur van Breda ’s-nachts katholieken in de kloosterkerk begraven werden. In deze tijd was het klooster weer voor korte tijd gevestigd in het protestante Breda in verband met de onveiligheid rond Oosterhout. Proost Assels, overleden in 1676, liet zich in zo’n oude grafkelder begraven onder een blauwe zerk met hierop zijn wapen van 9 voet lang en 5 voet breed. De zerk bedekte men met zand om de protestanten in de stad niet voor het hoofd te stoten.

De oudste graven lieten zich herkennen door een diepere ligging, waarbij het teruggeworpen zand van de grafvulling nauwelijks verontreinigd was en hierdoor moeilijk te onderscheiden was van de natuurlijke bodem. Deze graven dateren uit de 14de eeuw en mogelijk nog uit de 15de eeuw. Ze zijn zowel binnen als buiten de eerste kerk aangetroffen. Later werd niet meer in het pandhof begraven.

Verscheidene van de latere begravingen in de nieuwe kerk (zie hoofdstuk 4) zijn door de aanwezige fundering van de westmuur van de 14de-eeuwse kerk heengehakt. Dit laatste had waarschijnlijk niets te maken met plaatsgebrek, maar met het streven om zo dicht mogelijk bij het koor een laatste rustplaats te verkrijgen.

30 Graven gevonden

In totaal werden bij de opgraving ruim dertig begravingen aangetroffen. Uitgaande van een voorzichtige inschatting van het totaal aantal bewoners van Sint-Catharinadal vanaf de 14de tot en met de 17de eeuw en rekening houdend met het onderzochte areaal, is dit opmerkelijk weinig. Uit historische bronnen weten we bovendien dat niet alleen zusters, maar ook burgers uit de stad in het klooster werden begraven. Een goede verklaring voor het relatief klein aantal tot nu toe aangetroffen begravingen is niet voorhanden. Aanwijzingen voor het grootschalig ruimen van graven zijn niet gevonden. Toch zijn er schriftelijke bronnen die wel duiden op het grootschalig ruimen van graven bij de verhuizing naar Oosterhout. Proost en geschiedschrijver Van der Malen weet te berichten dat bij de verhuizing van het klooster in 1646 proost Cruijt de stenen zerken ’ sercsteenen’ van de zusters nog een tijdje mocht laten liggen in afwachting van transport. Bij de eerste gelegenheid zouden ze dan vervoerd worden. (A.Cath. BB V,82).
Graven in de kloosterkerk

De kloosterkerk lijkt bestemd geweest voor de deftige personen en hoogwaardigheidsbekleders. Zo verzocht de vrouwe van Nassau (Mencia de Mendoza) aan het klooster in het jaar 1536 om een juffrouw Marie Pema in de kloosterkerk te begraven (Van der Malen, p. 99). Een ander voornaam iemand die in de kloosterkerk begraven werd was de priorin van het Augustinessenklooster Vredenburg bij Breda. In 1590 ontving de priorin 6 Rijnse guldens in verband met het graf van de priorin ‘mater’ van het nieuwe klooster, waarmee Vredenburg bedoeld werd (A. Cath. Manuaal 25a Rekening priorin 1590- 1591 fol. 8). Veel later (1676) werd proost Assels begraven in dezelfde kloosterkerk na een korte terugkeer van het klooster in Breda. Hij werd begraven in een oud grafgewelf met hierover een blauwe zerk van 9 voet lang en 5 voet breed. Op de zerk zijn wapen en zijn naam in witte letters.
In de kerk werden toen nog meer graven gevonden van steen, waarvan men de oorsprong niet meer wist. Ten tijde van de hervorming werden mensen in het geheim ’s-nachts begraven (Van der Malen, p. 80). Eind 15e eeuw ontvingen de twee kapelanen van het klooster 1 gulden om de graven te bezoeken (A. Cath. Manualen 4, rekening eind 15 eeuw).
Graven in het pandhof

De meeste andere personen en de zusters werden begraven in het pandhof. Zo werd een Aegsten Maryen in 1519 in het pandhof begraven (Van der Malen p. 84). De zusters lagen onder stenen zerken.

Begrafenis van een zuster

Op woensdag 21 maart 1554 5 uur in de morgen stierf zuster Margriet Adriaens. Zuster Margriet was in 1499 kloosterzuster geworden. Haar vader had voor haar een lijfrente vastgezet van 24 gulden. In de loop van de middag werd ze opgebaard op het koor van de kerk, waar de boetpsalmen gezonden werden: ‘miserere mei’ en ‘libera me’ met nog andere liederen en verzen. De volgende dag, witte donderdag, begroef men zuster Margriet om 2 uur in de middag. De begrafenismis was op de manier zoals gewoonlijk na de vastentijd geschied. Op de maandag na beloken Pasen (2 april) nog een gezongen mis gevolgd door een bezoek aan het graf waar nog eens ‘Miserere’ gezongen werd. ( Van der Malen p. 187)

Skeletten

Slechts een klein deel van de skeletten is tot nu toe onderzocht. Daarbij is definitief vast komen te staan dat vanaf het vroegste begin ook mannen in het klooster zijn begraven. Meer dan de helft van het aantal onderzochte skeletten -toevallig of niet- waren mannen. Een interessant geval betreft een man die samen met een vrouw in een dubbelgraf buiten de eerste kerk was begraven. Bij beiden is sprake van een zogenaamde kruisschedel. Dit verschijnsel bestaat uit een afwijkend verloop van de schedelnaden, die in zekere zin een kruis bovenop de schedel vormen. Aangezien deze afwijking erfelijk overdraagbaar is, waren beide personen waarschijnlijk bloedverwanten (broer en zus?).

Van de vrouwenskeletten, voor zover die in de kerk zijn aangetroffen, mogen we veronderstellen dat het nonnen waren. Ze zijn gemiddeld 37 tot 61 jaar oud geworden. De gemiddelde lichaamslengte bedroeg circa 1,60 meter. In het algemeen zijn relatief veel pathologische afwijkingen vastgesteld, die veelal verband houden met de ouderdom van de individuen. Een van de nonnen had Rachitis of ‘Engelse ziekte’. Deze ziekte wordt veroorzaakt door een tekort aan vitamine D. Bij de vrouw waren de symptomen duidelijk waarneembaar; haar beide scheenbenen en haar linker dijbeen vertoonden een duidelijke kromming. Bij een andere non zijn sporen van de ziekte van Forrestier aangetroffen. Dit ziektebeeld staat ook bekend onder de naam ‘DISH’ (Diffuse Idiopathic Skeletal Hyperothosis). Kenmerkend hiervoor is dat het bindweefsel gaat verbenen. Bij de vrouw werd ook osteoarthritis (gewrichtslijtage) vastgesteld.

Ook de gebitten werden onderzocht. Bij de meeste personen heeft cariësvorming en tanduitval plaatsgevonden. Bij een vrouw waren linksboven in haar mond twee tanden afgebroken. Er zijn aanwijzingen dat ze op de opengevallen plaats een prothese van been of ivoor heeft gehad.

De bloeitijd van Sint-Catharinadal: 1463–1531

De kloosterhervorming van 1463

De kloosterlingen van Sint-Catharinadal konden in de beginperiode vrij zelfstandig opereren. Na het midden van de 15de eeuw kwam daar echter verandering in. De oorzaak hiervan was de voorbereiding van de kloosterhervorming, die in 1463 in Sint-Catharinadal werd doorgevoerd. Deze hervorming had gevolgen voor de interne organisatie als ook voor de kloostergebouwen.

Druk van abten

Hervormingen vonden vanaf het midden van de 15de eeuw veelvuldig in norbertijnenkloosters plaats. In 1451 vaardigde de generaal-abt Johannes Agouet een bevelschrift uit tot reformatie van de norbertijnenkloosters. (Van der Velde 1982, p. 43–46). In deze kloosterhervormingen (ook wel observantiebeweging genoemd) werd teruggegrepen op de oorspronkelijke uitgangspunten van de kloosterregel. Afschaffing van privébezit en de vernieuwing van het kloosterslot stonden hierin centraal. Om de hervorming daadwerkelijk door te voeren, werden de visitaties aan de kloosters geïntensiveerd. Ook Sint-Catharinadal kreeg in deze jaren menigmaal bezoek uit naburige kloosters en zelfs rechtstreeks vanuit Prémontré.

Het klooster werd onder meer bezocht door de abten van Sint Michiels in Antwerpen (1454), de Sint-Cornelisabdij in Ninove (1454) en van Berne bij Heusden (1457 of 1458). (Oosterhout, archief St. Catharinadal, M&R nr. 1 f. 85–86, 87v, 97). Uit Prémontré kreeg Sint- Catharinadal in de jaren 1447–1449, 1454 en 1456 bezoek van ‘heer Jan van Premonstreyt’ en ‘den corten heer van Premonstreyt’. (Oosterhout, archief St. Catharinadal, M&R nr. 1 f. 7v, 9v, 11v, 12v, 87, 90v). Met Jan van Prémontré kan de generaal-abt Johannes Agouet bedoeld zijn, terwijl onduidelijk is wie de ‘korte’ heer van Prémontré was.

Druk van de Nassaus

Niet alleen werden de banden met de norbertijnerorde aangehaald, ook de wereldlijke macht deed in deze periode weer van zich spreken. De heer van Breda, Jan IV van Nassau (1410- 1475), richtte zijn aandacht op Sint-Catharinadal. Hij controleerde de rekeningen, leende het klooster geld om proviand te kopen en bezorgde de zusters turf. (Oosterhout, archief St. Catharinadal, M&R nr. 140, p. 63–64). Jan van Nassau hield zich echter niet alleen met de materiële zaken van het klooster bezig, maar mengde zich ook in religieuze kwesties. Na overleg met Mercelius van Macharen, de abt van Berne die in 1457 of 1458 Sint-Catharinadal een bezoek bracht, stuurde Jan van Nassau een verzoekschrift aan de paus. Hij schreef daarin dat de inkomsten van Sint-Catharinadal sterk achteruit waren gegaan en dat het klooster alleen dankzij zijn steun had kunnen blijven bestaan. Hij drong aan op een hervorming van het klooster en de instelling van het kloosterslot. In 1461 willigde paus Pius II (1458–1464) zijn verzoek in. (Oosterhout, archief St. Catharinadal, charters 312. De datum die Erens 1931, p. 427 geeft is onjuist. De bul is uitgevaardigd op 24 november 1461).

Het controlelijstje van Mercelius van Macharen

Voordat de kloosterhervorming werkelijk van start ging, bracht Mercelius van Macharen, abt van Berne, in 1457 of 1458 een bezoek aan Sint-Catharinadal. Van zijn hand is een lijstje bewaard gebleven van zaken waarop hij moest letten bij de beoordeling van het gedrag van kloosterzusters. (Van der Velde 1982, p. 88–90). Alle kloosterzusters werden afzonderlijk ondervraagd over de vier belangrijkste zaken ‘zonder welk geen enkel geloof kan groeien’: eensgezindheid (is er ruzie of haat?), gehoorzaamheid (is er opstandigheid?), kuisheid (bewaart iedereen de zuiverheid van het lichaam?) en armoede (is er privébezit?). Op zijn lijstje komen onder andere de volgende vragen voor:

  • Zijn er gasten die langer dan drie dagen blijven?
  • Eten er wereldlijke personen vlees in het klooster, samen met de zusters?
  • Worden de spreekvensters niet te vaak bezocht door de zusters om een blik naar buiten te werpen, voor ijdele gesprekken en uit zwakte voor mannen?
  • Is de kleding van de nonnen geplooid, zoals wereldlijke personen dragen?
  • Hebben de zusters halskettingen, ringen of parfum?
  • Worden de canonieke uren en de conventsmis wel gezongen?
  • Zijn de bedden aan de voorkant afgedekt, zodat zij die er prijs op stellen, kunnen zien wat er gebeurt, en slaapt men met meer personen in één bed?
  • Zijn er geheime vertrekken waar men met elkaar omgang heeft?
  • Werken de zusters voor een gemeenschappelijk doel en maken ze niets voor zichzelf of iets wereldlijks, zoals kussens, geweven met goud of geblokt, beurzen en dergelijke?
  • Vinden er boertige dans- en toneeluitvoeringen plaats, die losbandigheid veroorzaken en voeden?
  • Is er sprake van waarzeggerij, toverij, vervloekingen, uitleggingen (zoals van dromen), toverdranken en andere boosaardigheden, waarin de mensen tegenwoordig veel vertrouwen hebben?
    De antwoorden zijn helaas niet bewaard gebleven.

Hervorming ingezet 1462

In 1462 werd begonnen met de voorbereidingen voor de hervorming van Sint-Catharinadal. De abt-generaal van Prémontré droeg de abten van Sint-Michiels (Antwerpen) en Berne en de proost van Bloemhof (Wittewierum) op (met de door de paus opgelegde) hervorming van Sint- Catharinadal te beginnen. (Oosterhout, archief St. Catharinadal, Charters nr. 317). Op 20 juni 1463 bezochten zij het klooster. De priorin Margriet van Ierseke en elf koorzusters werden in de kloosterkerk bijeengeroepen, waar een notaris de pauselijke bul voorlas.

Kloosterslot

De kloosterlingen kregen te verstaan dat zij zich in het vervolg hadden te houden aan de nieuwe bepalingen over onder meer het kloosterslot, het vasten, de aanvang van de metten, eigendommen en de keuze van de biechtvader. Verder moesten ze een aantal augustinessen opnemen, die de hervorming zouden begeleiden. (Oosterhout, archief St. Catharinadal, Charters nr. 320. Erens 1931, p. 311 dateert deze akte abusievelijk op 11 juni). Uit het klooster Zennewijnen, dat al hervormd was, kwamen vervolgens enkele norbertinessen. Sommige historici melden dat later ook de dochter van Jan van Nassau, Odilia, die augustines was in Mechelen, in 1476 in Sint- Catharinadal verbleef in verband met de hervormingen. In 1463 was ze echter ongeveer 13 jaar oud, zodat het onwaarschijnlijk is dat ze door haar vader naar Breda gehaald werd om toe te zien op de hervorming.

De zusters kregen zes weken de tijd om te besluiten of ze op deze manier verder wilden leven in het klooster. Uiteindelijk weken vier zusters uit naar andere kloosters en bleven acht zusters over die bereid waren zich te schikken naar de nieuwe regels. (Oosterhout, archief St. Catharinadal, Charters nr. 322 en M&R nr. 140, p. 70).

Hervorming succesvol

De hervorming van 1463 heeft uiteindelijk haar doel niet gemist. Na enige tijd begon het aantal zusters geleidelijk weer te stijgen: van een tiental in de beginjaren klom het aantal op tot circa dertig in het begin van de 16de eeuw. De geestelijke hervorming had het klooster blijkbaar weer aantrekkelijk gemaakt, hoewel het leven van de nonnen aanmerkelijk was veranderd. Zo heeft het verbod op privébezit er waarschijnlijk toe geleid dat vrouwen van adellijke afkomst steeds minder toetraden en uiteindelijk helemaal uit het klooster verdwenen.

In het spoor van de hervorming kwamen ook de proosten weer terug. Ze waren vooral afkomstig uit andere norbertijnenkloosters en namen de religieuze leiding weer ter hand. Bij de uitvoering van hun andere traditionele taak, namelijk het goederenbeheer, traden ze opvallend genoeg niet op de voorgrond. Blijkbaar gaven de zusters het beheer niet uit handen.

Na deze hervorming ging het Sint-Catharinadal financieel en economisch voor de wind. Door de toestroom van nieuwe kloosterlingen nam het bezit van het klooster weer sterk toe. Dit laatste en de belastingvrijheid die het klooster genoot, werden echter een doorn in het oog van burgers en stedelijke bestuurders van Breda. De spanningen tussen Sint-Catharinadal en de stad zouden in de loop van de 16de eeuw nog verder oplopen met de aanleg van een nieuwe stadsomwalling, waarvoor gronden van het klooster geconfisqueerd werden. Maar voordat dit allemaal gebeurde, beleefde Sint-Catharinadal de bloeiperiode van zijn bestaan.

Nieuwbouw en uitbreiding van de kloostergebouwen

Het groeiend aantal zusters, de aangescherpte kloosterregels en de terugkeer van de proost maakten aanpassing van het kloostercomplex noodzakelijk. Aan motivatie en geld was geen gebrek. Historische bronnen spreken over (nieuw)bouw van verscheidene kloostergebouwen, zoals de refter, de kloostergang, de keuken, het ziekenhuis, de kapittelzaal en de schrijfkamer. Met de terugkeer van de proost(en) binnen Sint- Catharinadal werd in 1483 ook een nieuwe proosdij gebouwd. Bij elkaar werd het klooster fors uitgebreid; het gebouwencomplex kreeg nu een oppervlakte van circa 3700 m² tegenover 2900 m² in de vorige eeuw. Opvallend is ook dat de voormalige begrenzing van het complex door de aanleg van nieuwe gebouwen doorbroken werd.

Bouw nieuwe kloosterkerk

Het hoogtepunt van al deze activiteiten vormde de bouw van een nieuwe kerk. Vanaf 1498 werden daarvoor de voorbereidingen getroffen. Op 8 februari 1501 werd de eerste steen gelegd door de priorin van het klooster, Adriana van der Veken. De nieuwe kerk, die reeds in 1502 voltooid was, werd opgetrokken in de stijl van de Brabantse Gotiek. (Van der Veken 1971 en Peeters 1971). Het gebruik van witte natuursteen en de duidelijke scheiding tussen de architectonische onderdelen zijn kenmerkend voor deze bouwstijl. De nieuwe kerk was aanzienlijk groter dan z’n voorganger en had een voor die tijd gebruikelijke veelzijdige koorsluiting. Door de bouwconstructie met steunberen werd het mogelijk om grote vensters in de kerk aan te brengen.

&Obit7&Reconstructietekening van de 16e eeuwse kloosterkerk door Van der Veken

Dit kerkgebouw, dat thans nog overeind staat, bestond uit zeven traveeën en had een 3/8 koorsluiting. De afmetingen waren 36×10,5 meter. De vier westelijke traveeën waren oorspronkelijk in een onder- en bovenkerk verdeeld. De bovenverdieping (de “nonnengalerij”) was alleen bestemd voor de nonnen, die ongezien en afgescheiden van de rest van het (mannelijke) kerkvolk aan de mis konden deelnemen. De galerij was gefundeerd op een dubbele rij zuilen en een reeks halfzui- len langs de muur van de kerk. De funderingen van de zuilen zijn bij het archeologisch onderzoek aangetroffen. Elders op het kloosterterrein werden bij de opgraving verscheidene versierde natuursteenfragmenten gevonden, die vermoedelijk onderdeel hebben uitgemaakt van de zuilen binnen in de kerk. De bovenkerk was voor de nonnen te bereiken via de eerste verdieping van de westvleugel, terwijl de bevolking via een poort in de westgevel de kerk kon betreden. De indeling van het kerkinterieur in boven- en onderkerk was ook aan de buitenkant zichtbaar. In de noordgevel hadden de vier westelijke traveeën twee vensters boven elkaar: de onderste voor de benedenkerk en de bovenste voor de bovenkerk. In de zuidwand zaten geen vensters, vanwege de aangrenzende kloostergebouwen.)

Dubbelkerk

Gebouwen met een indeling in boven- en onderkerk worden ‘dubbelkerken’ genoemd. (Peeters 1971, p. 55 e.v). Dit soort kerken treft men vaker aan bij vrouwenkloosters. Ze komen incidenteel al in de 12de en 13de eeuw voor, maar worden vooral in de 15de eeuw gebouwd. De kerk van het Agnie- tenklooster van Diepenveen (gebouwd in 1409–1411) lijkt hiervoor model te hebben gestaan.

De nieuwe kerk bezat een eenvoudig zadeldak zonder toren, maar had wel een dakruiter. Bouwhistorisch onderzoek heeft duidelijk gemaakt dat de helling van het kerkdak steiler was dan nu. Thans bedraagt de helling ca. 45 graden, terwijl deze oorspronkelijk circa 60 graden moet zijn geweest. Als controle werd tijdens het bouwhistorisch onderzoek de houten kap van de kerk ook gedateerd met behulp van dendrochronologie. Bij deze dateringsmethode worden de jaarringen van het hout geteld. Daarmee kan bepaald worden wanneer het hout gekapt is. Het dendrochronologisch onderzoek wijst uit dat het hout gekapt is rond 1500. Deze datering vormt een bevestiging van de in de schriftelijke bronnen vermelde datering van de bouw van de kerk.

Bouwmaterialen

De historische bronnen waarin de bouw van de nieuwe kerk beschreven wordt, geven opvallend veel technische details. Zo lezen we dat reeds in 1498 ruim twee miljoen bakstenen, 12.600 plavuizen en een altaarsteen besteld werden. (Oosterhout, archief St. Catharinadal, M&R nr. 140, p. 78. Van der Aura 1894, p. 31. Oosterhout, archief St. Catharinadal, M&R nr. 4 f. 6v.). Steenhouwers kregen ruim van tevoren opdracht om voet-, water- en daklijsten te leveren. Voor de plint- en waterlijsten werd Gobertangesteen gebruikt, voor de fijner uitgevoerde raamomlijstingen en steunberen werd Ledesteen gekozen. Rekeningen maken melding van betalingen aan ambachtslieden, zoals timmerlieden, leidekkers, slotenmakers, metselaars en schilders. De vervaardiging van het oksaal (afsluiting tussen het koor en het schip van de kerk) werd uitbesteed aan een schrijnwerker.

Interieur van de kloosterkerk

Het oorspronkelijke interieur van de kloosterkerk is door opeenvolgende verbouwingen in de afgelopen eeuwen grotendeels onherkenbaar geworden. Onder de houten kap bevond zich een stenen gewelf, maar daarvan zijn praktisch alle sporen verdwenen. Andere bouwelementen zijn wel bewaard gebleven, zoals de natuurstenen profilering van de koorvensters, de versierde steunberen, enz. Zij werden teruggevonden bij een steekproefsgewijs uitgevoerd bouwhistorisch onderzoek van de kerk. Daaruit bleek ook dat de raampartijen oorspronkelijk beschilderd zijn geweest.
Andere informatie over het interieur vinden we terug in de archieven. Zo meldde in 1504 de priorin Adriana van der Veken, die drie jaar eerder de eerste steen had gelegd, dat er drie altaren in de kerk aanwezig waren: het hoogaltaar ter ere van de Drievuldigheid, Catharina, Johannes de Doper, alle apostelen en profeten; een altaar ter ere van Maria, de aartsengel Michaël, Martinus en alle Belijders en Maagden; en een derde ter ere van het H. Kruis, H. Sebastiaan, H. Augustinus en alle andere heiligen. Naast het oksaal was een preekstoel aanwezig. In 1527–28 werd nog een orgel geplaatst. (Oosterhout, archief St. Catharinadal, M&R nr. 140, p. 83 en nr. 7, p. 106). Engelbrecht van Nassau en zijn vrouw schonken het klooster twee zetels voor het koorgestoelte, waarop ze zelf afgebeeld stonden en ‘die scoon ende wel gedaen sijn’, zoals de priorin deze meubels in haar bedankbrief van 1503 omschreef. (Van der Aura 1894, p. 35). Een jaar later schonk Engelbrecht bovendien nog twee gebrandschilderde ramen voor het koor van de kerk. De 17de eeuwse kroniekschrijver Van der Malen meldt verder nog dat in het koor, achter het altaar ook een ‘treffelijck’ venster aanwezig was met de afbeelding van ‘graaf Jan I’ met zijn vrouw. Hij staat samen met zijn familiewapen bij een voorstelling van de kruisiging van Christus. (Oosterhout, archief St. Catharinadal, M&R nr. 140, p. 62. ‘Graaf Jan I’ is vermoedelijk Jan IV van Nassau die samen met zijn vrouw Maria van Loon werd afgebeeld).

Bouwmeester Cornelis Joos

De bouwmeester van de nieuwe kloosterkerk was Cornelis Joos, die in deze functie ook werkte aan de Grote Kerk van Breda. (Van der Aura 1894, p. 33 en Peeters 1971, p. 46). In deze tijd werd door hem onder meer de toren van de Grote Kerk voltooid. De profilering van de vensters van de kloosterkerk van Sint-Catharinadal is vrijwel identiek aan die van de zogenaamde Kapittelzaal van de Grote Kerk van Breda.

De proosdij

Enkele jaren voor de bouw van de nieuwe kloosterkerk werd een ander belangrijk kloostergebouw voltooid, namelijk de proosdij. De terugkeer van de proosten binnen Sint- Catharinadal maakte de bouw van een aparte behuizing noodzakelijk. De proosdij werd in 1483 ondergebracht in een nieuwe vleugel, die aan de oostzijde van de kloosterkerk en buiten de oorspronkelijke begrenzing van het klooster werd opgetrokken. Bij de grote stadsbrand van 1534 brandde een deel van de nieuwe vleugel af. Later werd deze op dezelfde plaats weer opgebouwd.

Op de plaats van de middeleeuwse proosdij bevindt zich nu de 19de-eeuwse oostvleugel van de Kloosterkazerne. Ondanks het feit dat de proosdij praktisch volledig werd gesloopt voor de bouw van deze kazernevleugel, kunnen we aan de hand van de gegevens uit het recente onderzoek wel een reconstructie van de oude situatie maken.

Bij de opgraving werden ten zuiden van de kazernevleugel nog kelders aangetroffen van het deel van de proosdij dat wel gesloopt, maar niet overbouwd was. In de kruipruimtes onder de kazernevleugel bleken bovendien nog middeleeuwse resten bewaard te zijn, zoals de fundamenten van de traptoren tegen de westzijde van de proosdij. Ten slotte werden in de archieven nog enkele 17de-eeuwse opmetingstekeningen gevonden met beschrijvingen van de verschillende verdiepingen van de oude proosdij. Door de tekeningen te combineren met de opgravingsgegevens is het zelfs mogelijk een waarheidsgetrouwe, driedimensionale reconstructie te maken van de verdwenen proosdij.

&Obit8&Reconstructietekening proosdij

De proosdij had aanvankelijk een L-vormig plattegrond. De kloostergang langs de zuidzijde van de proosdij is waarschijnlijk pas na de stadsbrand van 1534 gebouwd . Via deze gang stond de oostvleugel in verbinding met de kloosterkerk. Waarschijnlijk is toen ook een nieuw poortgebouw opgetrokken, ter vervanging van een oudere poort die in 1483 gelijktijdig met de proosdij was gebouwd. (Oosterhout, archief St. Catharinadal, M&R nr. 140, p. 74).

Westvleugel

Ook de westvleugel van het klooster werd in de 15de eeuw verbouwd. In 1469 werden aan deze vleugel een (nieuwe) keuken en een refter (eetzaal) toegevoegd. In 1480 werd hier ook een ziekenhuis gebouwd. Beide laatste onderdelen werden haaks op de westvleugel gebouwd en vormden de zuidzijde van het klooster. Zowel de funderingen van een deel van de refter als van het ziekenhuis zijn bij het archeologisch onderzoek aangetroffen.

Ziekenhuis

Het ziekenhuis werd gebruikt voor de verpleging van zieke nonnen. In de bronnen wordt nog melding gemaakt van een tweede ziekenhuis dat ten zuidwesten van het klooster lag en bestemd was voor inwonend personeel van Sint-Catharinadal. In 1520 werd het nonnenziekenhuis in brand gestoken in verband met de pest. Daarna werd het weer van de grond af opgebouwd. Tijdens de opgraving zijn van deze brand geen sporen aangetroffen. Wel kon worden vastgesteld dat het ziekenhuis opmerkelijk veel ingrijpende verbouwingen heeft ondergaan. Of één daarvan in verband gebracht kan worden met de gebeurtenissen in 1520, is niet met zekerheid vast te stellen.

Gastenverblijf

Schriftelijke bronnen maken melding van nog verschillende andere gebouwen van Sint-Catharinadal, maar deze zijn (nog) niet onderzocht of teruggevonden. Alleen het gastenverblijf, dat voor het eerst in 1515 wordt genoemd, werd op enige afstand ten oosten van het eigenlijke kloostercomplex opgegraven. De afmetingen van dit gebouw bedroegen 16 bij 6 meter. De westmuur van het gastenverblijf was nog grotendeels intact en was gefundeerd op blokken natuursteen en een puinbed. Aan deze muur zijn sporen van herstelwerkzaamheden te zien. Deze kunnen in verband staan met een bericht uit 1608: het gastenverblijf werd toen opgeknapt omdat het door vochtin- werking op instorten stond. (Oosterhout, St. Catharinadal, M&R nr. 25, f. 63).

Buitenhof

Het gastenverblijf is ingetekend op twee 17de-eeuwse kaarten van het klooster Sint-Catharinadal. Op deze kaarten stond het gastenverblijf aan een ruim plein dat aan de noordzijde van het klooster lag. Aan de overkant van dit plein lag nog een aantal andere gebouwen, zoals een brouwerij, een pachthuis en een beestenstal. Het kan zijn dat er nog meer gebouwen hebben gestaan: in een bron uit 1453 wordt een rosmolen genoemd en een bron uit 1500 vermeldt de aanwezigheid van een duifhuis. Aan de westzijde van het plein stond een (buiten)poort met een portierswoning. De poort bij de kerk was dus in feite een binnenpoort. In dit plein met zijn bijgebouwen en bedrijfsruimten kunnen we de aanzet van een buiten- of nederhof herkennen. Het is niet bekend wanneer dit buitenhof ontstaan is, maar het is niet onwaarschijnlijk dat het in de 15de eeuw reeds aanwezig was. Een buitenhof (Duits: Wirtschaftshof) komt niet veel voor bij stadskloosters en is mede daardoor nog niet goed bestudeerd. Een mooi en goed bewaard voorbeeld van een buitenhof is te vinden bij de norbertijnenabdij in Middelburg.

Nadagen te Breda: 1531–1647

Rampen

Na de hervorming en de bloeitijd van het klooster in de tweede helft van de 15de en in het begin van de 16de eeuw volgt een periode waarin het minder goed gaat. Sint-Catharinadal heeft erg te lijden van de uitbreiding van de vesting Breda, een stadsbrand, de godsdienststrijd in de loop van de 16de eeuw en de Tachtigjarige Oorlog. Deze rampzalige gebeurtenissen betekenen bijna het einde van Sint-Catharinadal en leiden uiteindelijk tot het vertrek van de nonnen uit Breda in 1647. Ze vestigen zich in het nabijgelegen Oosterhout.

Aanleg van een nieuwe stadsomwalling

De eerste problemen waarmee het klooster te kampen kreeg, kwamen voort uit de ambitieuze bouw- en urbanisatieplannen van graaf Hendrik III van Nassau (1483–1538). Met de aanleg van een nieuwe stadsversterking maakte hij Breda tot een voor die tijd moderne vestingstad. De stad werd nu omgeven door een aarden omwalling met daarin uitspringende bastions, naar het voorbeeld van het Oud-Italiaanse vestingstelsel. (Zie voor de introductie van de Italiaanse vestingbouw in de Nederlanden: Van den Heuvel 1991 en Roosens 1980). De nieuwe verdedigingswerken kwamen in plaats van de middeleeuwse stadsmuur, die met de opkomst van het geschut zijn defensieve waarde had verloren. Breda was de eerste stad in de Nederlanden waar een dergelijke ‘moderne’ omwalling werd aangelegd. De introductie van dit verdedigingsstelsel vormde een keerpunt in de militaire architectuur van onze streken.

Met de aanleg van de nieuwe stadsomwalling tussen 1531 en 1545 kwam de uitdijende bebouwing langs de toegangswegen van Breda, de zogenaamde ‘-einden’, binnen de stad te liggen. De stad werd in een keer bijna driemaal groter. Ook Sint-Catharinadal kwam binnen de stad te liggen.

In verband met de aanleg van de nieuwe omwalling onteigende de stad gronden ten zuiden van het kloostercomplex. Ook aan de westzijde verloor het klooster een deel van zijn grondgebied, het zogenaamde Nonnenveld. Op dit terrein verrezen nieuwe huizen en later werd er een turfmarkt aangelegd. De talrijke protesten van Sint-Catharinadal tegen de onteigeningen mochten niet baten. Als reactie op deze ontwikkelingen lieten de nonnen rondom hun kloostergoed een muur bouwen. Deze kloostermuur werd tegen de binnenzijde van de stadswal opgetrokken.

Meer rampen

De aanleg van de nieuwe stadsomwalling was slechts de eerste van een serie tegenspoed die Sint-Catharinadal in de 16de eeuw te verwerken kreeg. In 1534 brandde een groot deel van het klooster af en in 1566 werd het geteisterd door de Beeldenstorm.

Stadsbrand 1534

Tijdens de stadsbrand van 1534, waarbij een groot deel van Breda in vlammen opging, liep Sint-Catharinadal ook schade op. Erens 1936, p. 148. Veel kloostergebouwen brandden af. Hoewel de kerk enkele malen in brand vloog, bleef die samen met de dormter (slaapvertrekken) gespaard. Aangezien de dorm- ter zich op de eerste verdieping van de westvleugel bevond, kunnen we ervan uitgaan dat deze vleugel voor een belangrijk deel aan de vlammen ontsnapte. Veel andere gebouwen liepen brandschade op, waaronder de proosdij en verscheidene be- drijfsgebouwen. P> Na de stadsbrand van 1534 werd een overzicht gemaakt van de brandschade aan het klooster. (Erens 1936, p. 148. Deze inventarisatie geeft een goed beeld van het kloostergoed. Zo lezen we:

Dese huysen syn metten brande in ons cloester afgebornt. Inden yersten die zaelde met een camer met die spreeckhuzen buyten ende binnen, twee kelders vol biers, ende voerts alle die biertonnen, die terwe opten solder, het meel, het mout, dat tenelwerck (tinnen voorwerpen), dat lynwaet van buyten ende voer die gasten (…).
Item ons confessoers huys met der cappelanen camer, daer al des cloesters studeer boecken in waren, ende vj silveren lepelen (…).
Item dat convents sieckhuys, dat wasch huys, dat beckhuys (…).
Item die hoey schuur, de ckoren schuer, al vol met die gonst van ckoren, gerste, havere end hey van xvij bunderen lants.
Item een schoen groet vee huys daer wel bij vijftig beesten in gestaen souden hebben, met een groot fernays (fornuis) ende een knechts camer.
Item den perden stallinge, dat wagen huys met die wagens ende alle die gereeschap(…).
Item een groote loegsie (loods) van vier gebinten lanck, die vol verhouwen ende gesaecht houts lach (…).

Minder cynzen

Afgezien van de directe schade van de brand, ondervond het klooster veel nadeel van de maatregelen die Hendrik III uitvaardigde na 1534. Deze maatregelen waren bedoeld om de bewoners van Breda na de brand enige verlichting te brengen. Zo hief hij tijdelijk de cijnsplicht op; de bevolking hoefde de eerste twee jaar geen cijnzen te betalen die op hun huizendrukten. Door deze maatregel werd het klooster direct getroffen, want het ontving veel cijnzen uit stadshuizen. Het zag daardoor zijn inkomsten sterk teruglopen, waardoor de zusters de schade aan de kloostergebouwen slechts langzaam konden verhelpen.

Voor de brand bedroegen de inkomsten van het klooster 1231 Rijnse guldens, aangevuld door 122 zester (zester=16 lopen) roggecijns. Hiervan was 55 Rijnse gulden aan inkomsten direkt verbonden met het memoreren van overledenen A. Cath. Rekening priorin 1521–1522

De zusters klagen in deze tijd hun nood bij de heer van Breda en wijzen op de grote kosten voor de herbouw. Ze wijzen er de heer op dat al 8 bunder moer verkocht is voor 1600 gulden om de herbouw te financieren. Daarboven worden voor het klooster huizen gebouwd en een markt aangelegd.

Tijd van de Reformatie

Naast de dalende cijnsinkomsten ontving het klooster ook steeds minder schenkingen. Het was de tijd van de Reformatie waarbij de macht en de dogma’s van de katholieke kerk steeds meer ter discussie gesteld werden. In de stad ontstond een toenemend verzet tegen de leefwijze van de kloosterzusters.

Kloosterschool

Om de financiële schade te beperken, creëerden de zusters vanaf het midden van de 16de eeuw een nieuwe inkomstenbron. Op de eerste verdieping van de proosdij richtten ze een klaslokaal in. In 1556 betaalde het klooster Willem Snels 200 gulden voor het maken van de ‘Walsche schole’. Deze Franse school was een initiatief van zuster Magdalena Lamier samen met Jacobina van Rosenbos. Ze onderwezen meisjes uit de gegoede stand in de franse taal, die dan later eventueel konden intreden. De school bedroop zichzelf en droeg zelfs geld af aan het klooster.Na het vertrek van juff. Lamier in 1600 liep de school wat terug. In 1641 kwam een juff. Margareta de Liques op de school werken. Zij sprak zeer goed frans. Zij werd later door proost Assels uit het klooster gezet, omdat ze te overheersend was.

Beeldenstorm

Het verzet tegen de katholieke kerk kwam tot een uitbarsting in de Beeldenstorm van 1566. De motieven voor dit protest waren zowel religieus als economisch van aard. Ook Sint- Catharinadal bleef niet gespaard. Hoewel veel waardevolle voorwerpen kort daarvoor in veiligheid waren gebracht in Dordrecht, werd op 22 augustus 1566 toch nog veel schade aangericht door de beeldenstormers. (Oosterhout, archief St. Catharinadal, M&R nr. 140, p. 225). De dormter, de refter en de keuken werden geplunderd. Alle cellen van de zusters werden doorzocht. Deuren kapot geslagen en alles wat de plunderaars konden vinden – tot tinnen lampen en potten toe – werd meegenomen in het beddegoed.In de kerk werd alles aan stukken gesmeten wat men maar kon grijpen, de orgelpijpen werden kapotgegooid en het oksaal werd vernield. Volgens proost Van der Malen merkt op dat zij : bedreven alle raselentie, die den duyvel hen innen gaf. Pas een jaar later, toen de situatie minder explosief was, werden de kostbaarheden uit Dordrecht teruggehaald en werd een begin gemaakt met het herstel van het kerkinterieur.

Beleg en Contrareformatie

Kort na de Beeldenstorm brak de Tachtigjarige Oorlog uit (1568–1648). Vanaf dat moment ging het snel bergafwaarts met Sint-Catharinadal. Hoewel directe schade door de oorlogshandelingen beperkt bleef, hadden de economie van het klooster en het religieuze leven er sterk onder te lijden. De wisselende oorlogskansen en de verschillende veroveringen door de strijdende partijen deden het klooster geen goed. Zo kwam Breda in 1581 door de Furie van Haultepenne in Spaanse handen. Veel stadsbewoners zochten bescherming binnen de muren van Sint-Catharinadal.

Turfschiplist

Door de list met het turfschip kwam Breda in 1590 weer in Staatse handen. De kloosterkerk mocht vanaf dat moment niet meer gebruikt worden voor katholieke erediensten en werd incidenteel door de hervormden gebruikt. Het grootste deel van de tijd stond het gebouw leeg. In deze tijd ging in ieder geval één zuster over de gereformeerde godsdienst: Josina du Trieux. Wij weten dit omdat zij later voor de schepenen van Breda van het klooster een redelijke alimentatie verlangde (A. Cath. BB IV,13 dd 6 april 1601).De zusters namen hun toevlucht tot een tot kapel verbouwde kamer. In 1625 veroverde Spinola Breda en kregen de katholieken weer meer vrijheid. De kloosterkerk kreeg nu haar oorspronkelijke bestemming terug.

Verbod op intreding

Tijdens de oorlog moest Sint-Catharinadal keer op keer gelden afdragen, inkwartieringen toestaan, diensten verrichten of deze juist afkopen. Ook de inkomsten daalden fors, omdat het innen van cijnzen en pachten stagneerde. Veel huizen waaruit cijnzen betaald moesten worden, waren verwoest, zodat er niets meer te innen viel. Door de oorlogshandelingen raakte het klooster opnieuw afgesneden van de orde. Bovendien traden er geen nieuwe zusters (novicen) meer toe en verlieten enkele zusters het klooster om in de wereld te gaan leven. Het aantal zusters zakte tussen 1590 en 1620 van ongeveer 20 naar 2 mede door ziekte-epidemieën.
Het dieptepunt werd bereikt in 1625: in het klooster woonde alleen nog maar de priorin Johanna van der Stegen. Zij was de zijden draad waaraan de toekomst van Sint-Catharinadal hing. Indien zij was overleden, zou het klooster opgeheven zijn en de goederen zijn opgegaan in de Nassause domeingoederen.

Personeel op het klooster

Minder inkomsten, minder zusters. Het grote kloostercomplex moest toch beheerd worden en dit kostte geld.

&Obit9&Plattegrond van het klooster St. Catharinadal uit 1882, naar een verloren gegaan origineel uit 1646. Collectie Breda’s museum

%Obit10&Voor een reconstructie op basis van de archeologische en (bouw)historische gegevens voor de eerste helft van de 17e eeuw

donkerbruine muren: opgegraven funderingen

lichtbruine muren: reconstructie

A = kloosterkerk

B = westvleugel

D = kloostermuur

E = keuken, refter en ziekenhuis

F = proosdij

Voor het jaar 1614 zijn we goed geïnformeerd over de onkosten voor personeel (A. Cath. BB IV,65) en wordt de volgende opgave gedaan:

  • Merten Adriaensen, rentmeester, kreeg 100 Rijnse guldens (R.g.)
  • Wouter, gebouwonderhoud (bouknecht), 57 R.g. en kleding
  • Jacob, knecht, 51 R.g. en kleding
  • Jost, koeienknecht (koeyer), 10 R.g. en kleding
  • Neelken Lambrechs 4 R.g.
  • Katheryn, kok, 18 R.g. en kleding waaronder twee schorten
  • Neelken Jansen, joncwyf, 18 R.g. en kleding waaronder twee halsdoeken
  • Lysken, jonckwyf, 21 R.g. en kleding
  • zorg voor de paarden, 19 R.g.
  • priesters die diensten verleenden, 66 R.g.
    Op witte donderdag kreeg het personeel 6 kruiken wijn wat 2 R.g. kostte. Blijkens de rekening kreeg het personeel vaker wijn. Ook werd er nog was (voor kaarsen?) gekocht en koekjes.

Contrareformatie

Met de opkomst van de Reformatie was de katholieke kerk in een zware crisis terechtgekomen. Men was gaan inzien dat alleen een grondige hervorming de kerk weer aantrekkelijk kon maken voor de grote massa en het katholieke geloof kon behoeden voor verder verval. Tijdens het Concilie van Trente (1545–1563) waren ideeën geformuleerd over de vernieuwing van de katholieke religie en het inzetten van een tegenoffensief, de Contrareformatie. De contrareformatorische ideeën hadden in de gebieden onder Spaans gezag wortel kunnen schieten. Ook de norbertijnerorde trachtte de Contrareformatie in Sint- Catharinadal in te planten. In 1625 ging Breda weer over in Spaanse handen en zou in Spaanse handen blijven tot 1637. Nadat de laatste priorin het klooster verlaten had, konden drie zusters van elders de contrareformatorische ideeën vorm gaan geven. Zij waren afkomstig uit het norbertinessen- klooster van Besloten-Hof te Herentals. De nieuwe proost, Mudzaerts genaamd, kreeg nu daadwerkelijk de leiding over wereldlijke en geestelijke zaken. Dat de hervorming van Sint- Catharinadal geslaagd is geweest, blijkt uit het feit dat in 1630 het aantal zusters dertien bedroeg en zes jaar later maar liefst twintig.

Soldatenbarakken

De inkwartieringen van soldaten tijdens de Tachtigjarige Oorlog drukten zwaar op de Bredase bevolking. Om de overlast van soldaten voor de burgers te verminderen besloot het stadsbestuur, net als in veel andere steden, aparte barakken voor soldaten te bouwen. Deze lagen meestal aan de rand van de stad, vlak bij de vestingwallen. In Breda begon men in 1630 met de bouw van barakken op het terrein tussen de Oude Vest, de Keizerstraat en de Akkerstraat.(Peeters 1971, p. 8. In 1637 verrezen er ook zulke barakken langs de kloostermuur van Sint-Catharinadal.

De bewoners van de barakken bezorgden de kloosterlingen de nodige overlast, hoewel er van tevoren allerlei afspraken waren gemaakt met het stadsbestuur. Een van die afspraken was dat er vanuit de barakken geen zicht zou zijn op het kloostererf. Maar wat gebeurde er? De soldaten maakten gaten in de kloostermuur, waardoor ze afval gooiden dat zo op het kloostererf terechtkwam. Bovendien gluurden ze naar de nonnen. (Oosterhout, archief St. Catharinadal, BB V A 26.

Bij een nieuwe aanpassing van de vestingwallen tussen 1679 en 1685 werden de barakken afgebroken. Ook de kloostermuur en een direct daarachter liggend gastenverblijf moesten plaats maken voor de nieuwe, verbrede wal.

Naar Oosterhout

De toenemende druk van het stadsbestuur en de protestanten, alsook de overlast van de soldaten, deden de proost van Sint- Catharinadal inzien dat de nonnen hun heil beter buiten de stad konden zoeken. Vanwege de ligging van de kloosterbezittingen wilden de kloosterlingen wel binnen de baronie blijven. In 1644–1645 verzocht de proost prins Frederik Hendrik toestemming te verlenen om het klooster te verplaatsen naar Oosterhout. Die toestemming kreeg hij en het Bredase kloostercomplex zou aan de prins vervallen. Vanwege de bijzondere bescherming van de Nassau’s, werd afgesproken dat de kloosterlingen in tijden van nood terug mochten keren naar Breda, waarbij de proosdij als refugiehuis dienst zou doen. Van dit recht zouden zij eenmaal, tussen 1672 en 1679, gebruik maken.

Illustere school

De onderhandelingen over het vertrek kwamen in een stroomversnelling toen de hervormden in 1646 begonnen aan te dringen op de stichting van een Illustre School. Ze hadden hun oog laten vallen op de kloostergebouwen van Sint-Catharinadal en werden hierin gesteund door Amalia van Solms, de echtgenote van Frederik Hendrik. De nonnen moesten nu wel vertrekken. Ze verlieten het klooster nog datzelfde jaar en betrokken tijdelijk een woonplaats elders in de stad. Pas een jaar later verhuisden zij naar een nieuwe, passende woonomgeving in Oosterhout. De eerste nonnen vertrokken op 15 juni 1647 naar Oosterhout, de laatsten kwamen op 16 oktober van dat jaar aan.

Blauwe Camer

De proost had in Oosterhout een kasteeltje, ‘De Blauwe Camer’ genaamd, voor hen aangekocht in 1645. (De Lepper 1976). De Blauwe Camer was omstreeks 1400 gebouwd. Na aankoop werd er omheen een eenvoudig klooster aangelegd, waarbij het oude kasteeltje als proosdij dienst ging doen. Met prins Frederik Hendrik werd overeengekomen dat het klooster nieuwe novicen mocht aannemen en hun onroerende bezittingen buiten de stad behouden. Waar andere kloosters werden opgeheven, kon Catharinadal zich altijd op dit contract beroepen. De zusters van Sint-Catharinadal konden met een gerust hart verhuizen naar Oosterhout en wonen hier tot op de dag van vandaag.

Stichting van filialen

Doordat Catharinadal weer nieuwe novicen mocht aannemen van de Nassaus kwamen er in de tijd daarna kansen voor het stichten van nieuwe kloosters. Twee stichtingen in het tegenwoordige België en veel later in Brazilië.
De geschiedenis na 1647 is hoofdzakelijk gebaseerd op de studie van A.Commissaris, Schets ener geschiedenis van het oudste klooster in Nederland, Breda 1947.

Antwerpen

Rond 1646, de verhuizing naar Oosterhout was in voorbereiding, achtte proost Balthazar Cruyt het raadzaam buiten protestant gebied een refugiehuis te stichten. Mocht de protestante druk te groot worden dan was het altijd mogelijk een tijd in Antwerpen te schuilen. Zijn keus viel op Antwerpen.

De Antwerpse St. Michielsabdij wilde echter geen zelfstandige stichting toelaten. Na onderhandelingen werd besloten dat het nieuwe Norbertinessenklooster onder het gezag van de abt van de St. Michielsabdij zou vallen. Het klooster kreeg de naam van Sacramentshuis.

Vier zusters uit Catharinadal gingen over naar Antwerpen in 1649. Hieronder de priorin Catharina Snijders, die zelf uit Antwerpen afkomstig was. Vele goederen gingen uit Oosterhout over naar Antwerpen. In 1651 deed ze afstand als priorin van Catharinadal. In het necrologium is ze niet meer vermeld, misschien omdat ze teveel goederen meenam naar Antwerpen.

Het Sacramentshuis werd eind 18e eeuw opgeheven door keizer Joseph II.

Neerpelt

Rond 1850 kreeg het klooster een schenking uit Neerpelt in België van grond en een woning. Voorwaarde voor de aanvaarding was dat Catharinadal in Neerpelt een kosteloze school voor meisjes zou stichten.

Proost Brouwers aanvaardde het legaat, maar bepaalde wel dat de rector van Neerpelt altijd een vicaris (kapelaan) zou zijn van Catharinadal. Hiermee bleef de proost supervisie houden over Neerpelt. In 1857 gingen de eerste zusters naar Neerpelt. De buitenzusters moesten toezien op de orde, de binnenzusters gaven les vanachter de tralies.

Vanaf 1920 werd Neerpelt, na een boedelscheiding, geheel zelfstandig.

Petropolis

Initiatief voor deze stichting kwam uit de missie-afdeling van het klooster Averbode. Het idee was om een contemplatief klooster te stichten in Brazilië als ondersteuning van het werk van de missionarissen. Als plaats van vestiging werd Petropolis uitgekozen in de omgeving van Rio de Janeiro. De abt van Averbode zou de vader-abt van Petropolis worden. In 1931 vertrokken 10 zusters van Catharinadal, waaronder de priorin van Petropolis: Catharina Sweere. De gemeenschap trok ook snel inlandse zusters aan.
Petropolis bleek echter niet levensvatbaar en is nu opgeheven. De zusters zijn weer teruggekeerd naar Oosterhout. In het necrologium is bij diverse zusters aangetekend dat ze in Petropolis verbleven hebben. Zoals Agatha Biemans, subpriorin van Petropolis die 3 juli 1936 overleed. Zij was in 1931 naar Brazilië vertrokken [NC453].

Tijdelijk weer in Breda 1672 – 1679

Het klooster startte te Oosterhout in grote armoede. De aankoop van de Blauwe Camer en de nieuw- en verbouw hadden 30.000 gulden gekost, de stichting van het Sacramentshuis had zware offers gevraagd en de inkomsten van de Franse school waren weggevallen. Bovendien wilden de zusters terug naar Breda.

Proost Assels probeerde daarom op alle mogelijke manieren terug te keren naar Breda. Deze gelegenheid kwam bij de inval van de Fransen en een mogelijk gevaar voor Catharinadal. Op voorspraak van de gouverneur van Breda en met toestemming van de Nassau’s om tijdelijk terug te keren naar hun oude klooster.

Proost Assels knapte de gebouwen weer op, wat opnieuw een zware financiële inspanning betekende. De protestante inwoners van Breda begonnen direkt te ageren tegen de wederkomst van het klooster en kregen gehoor in Den Haag. Proost Assels zag zijn poging tot definitieve terugkeer stranden, trok zich dat erg aan en stierf als een gebroken man.

Zijn opvolger, proost Van der Malen, probeerde het tij nog te keren. De druk van de prediaknten werd echter ook de groot voor de prins Van Oranje. Begin 1679 kreeg de proost Van der Malen de opdracht terug te keren naar Oosterhout. De gebouwen in Oosterhout waren zwaar verwaarloosd, maar opnieuw pleiten hielp niet. Op 12 augustus 1679 verlieten de proost en de laatste zusters ‘het oude clooster’ om er nooit meer terug te keren.

In Oosterhout reorganiseerde Van der Malen de kloosteradministratie en ging achterstallige cijnzen en pachten innen. Hij begon tevens als eerste de geschiedenis van het klooster op te tekenen. Zijn aantekeningen zijn bewaard gebleven in een folioband. Hij beschikte over gegevens die nu verloren zijn geraakt en daarom vormen zijn aantekeningen nog steeds een belangrijke bron voor historici.

Napoleontische tijd en daarna

Na de Franse revolutie verdwenen in Frankrijk en België alle kloosters. Napoleon zette deze politiek voort, maar werd later wat milder. Vooral voor zusters, die zich wijdden aan de zorg voor zieken en hulpbehoevenden. Een keizerlijk decreet legde dit in 1809 vast. Kloosters die hiervoor in aanmerking wilden komen moesten een goedkeuring aanvragen.
Toen Nederland in 1810 bij Frankrijk werd ingelijfd dienden de zusters van Catharinadal een verzoek in bij de minister tot erkenning. Het klooster richtte een armenschooltje in om onder de bepalingen van het decreet te kunnen vallen. Het aantal zusters werd gemaximeerd op 20, gelijk aan het aantal zusters dat op dat moment in het klooster woonde. Na het vertrek van de Fransen werd dit uitgebreid tot 29.

Godsdienstvrijheid

Met koning Willem II (1840–1849) braken er betere tijden aan voor de kloosters in Nederland. Catharinadal kreeg in 1841 toestemming om onbeperkt nieuwe zusters aan te nemen. Met grondwet van 1848 kwam er godsdienstvrijheid en vrijheid van vereniging. Catharinadal had nu niet meer de direkte steun van de Nassau’s nodig.

Onder de orde

Rond het midden van de 19e eeuw herrezen de Brabantse Norbertijnerabdijen, zoals die van Tongerloo, Averbode, Park en Postel. In België stonden de kloosters nog onder de nuntius en hadden als hoofd een prior.
Met de toename van de kloosters en het aantal kloosterlingen ontstond een sterke drang naar zelfstandigheid en eigen abten. In 1883 kwam voor het eerst weer een generaal kapittel bijeen in Wenen. Het kapittel benoemde de prior van Tongerloo, De Swert, tot vicaris-generaal. Vervolgens werd een motie aangenomen om de vrouwenkloosters onder de rechtsmacht van de orde te brengen.

De eerste helft van de 19e eeuw verkeerde Catharinadal in een machtsvacuüm. Traditioneel viel Catharinadal direct onder het gezag van de abt van Prémontré. Met de Franse revolutie was deze abdij echter opgeheven. Vanuit Rome was toen de bisschop van Breda, Van Hooydonk, in 1831 aangewezen als toezichthouder. Het klooster probeerde het gezag van de bisschop zoveel mogelijk buiten de deur te houden. Zo werd de bisschop van Breda in 1843 niet betrokken bij de keus van een nieuwe priorin. De strijd om het gezag over het klooster barstte pas goed los bij de vastenmanie van proost Brouwers (Peijnenburg 1996 p.174–177).

Op 19 september 1837 was proost Franciscus Brouwers, norbertijn van Berne, geïnstallerd als proost van Catharinadal. Hij gold als een vroom, maar ook streng priester, die met name de clausuur (verbod buiten het klooster te komen) versterkte. Hij leed echter aan een vastenmanie. Tijdens de vastenperiode van het jaar 1861 voerde hij in het klooster door dat er nog maar 1 maaltijd per dag mocht worden genuttigd, en wel om vijf uur in de middag. Hij zag het vasten als een goddelijke wet.

Vanuit de dochtervestiging Neerpelt waarschuwde de Tongerlose norbertijn Augustinus Martens bisschop Van Hooydonk voor de uitwassen te Catharinadal. Deze stuurde zijn hulpbisschop Van Genk ter inspectie, maar die werd niet toegelaten door proost Brouwers.

Daarop ging de zaak een niveau hoger en werd de aartsbisschop van Utrecht, Johannes Zwijsen, bij de zaak betrokken. Proost Brouwers van zijn kant riep de hulp in van de pauselijke internuntius Vecchiotti. Tussen de aartsbisschop en de internuntius waren de verhoudingen in die periode juist ernstig verstoord en proost Brouwers trachtte hiervan de profiteren.

Zwijsen wendde zich hierop weer een niveau hoger en wist met succes in Rome van de paus gedaan te krijgen dat hij benoemd werd tot apostolisch visitator met alle bevoegdheden om de situatie in het klooster te verbeteren. Verder droeg de Bredase bisschop van Hooydonk aan Zwijsen al zijn bevoegdheden over die hem door de paus in 1831 inzake Catharinadal waren verleend.

Brouwers liet zich echter niet gemakkelijk beïnvloeden. Eerst bleef hij weigerachtig in een kwestie over het te gebruiken brevier. Tijdens de vasteperiode van 1862 weigerde hij Zwijsen toegang tot het klooster en de 27 kloosterzusters liet hij een verklaring ondertekenen dat zij hem steunden.

Hiermee was voor Zwijsen de maat vol. Hij nam contact op met Rome en op 14 april 1862 tekende kardinaal Barnabo de brief waarmee hij gemachtigd werd proost Brouwers af te zetten. Op 22 april 1862, dinsdag na Pasen kwam aartsbisschop Zwijsen naar Ooosterhout waar hij de proost zijn afzetting mededeelde. De proost nam het Romeinse vonnis aan en verliet het klooster en ging met toestemming van Zwijsen naar Rome om te protesteren. Voorlopig werd de vicaris van Neerpelt, Augustinus Martens, door Zwijsen benoemd als proost. Er bleven wel een kleine groep van zusters op het klooster die vast wilden houden aan het strenge vastenregime en weigerden vlees te eten.

In Rome deed Brouwers afstand van het proostschap. Hij probeerde na terugkomst nog diverse malen tot Catharinadal toegelaten te worden. Dit lukte echter hem echter niet. Na wat omzwervingen kwam Brouwers, samen met de buitenzuster Anna Mouwen die hem de hele tijd gevolgd was, in Antwerpen terecht. Uiteindelijk overleed hij te Rome in 1866.

Zwijsen bleef hierna apostolisch visitator van Catharinadal tot vlak voor zijn dood. Pas in 1877 vroeg hij de paus deze waardigheid over te dragen aan Henricus van Beek, bisschop van Breda. Eerdere verzoeken hiertoe had hij geweigerd, zich beroepend op zijn pauselijke aanstelling.

Na 1883 probeerde de vicaris-generaal van de norbertijnen, De Swert, Catharinadal onder de orde te brengen. Hij stuitte daarbij op verzet van de bisschop van Breda, die zijn gezag over het klooster als apostolisch gedelegeerde wilde behouden. De Swert staakte daarop zijn pogingen.

Nieuwe poging

Proost Van Reeth, proost vanaf 1922 en afkomstig van de abdij Tongerloo, verdiepte zich in de historische en juridische situatie van Catharinadal. Zijn doel was het klooster onder de rechtsmacht van de orde te brengen. Met nu wel de steun van de Bredase bisschop (Mgr. Hopmans) en de procurator van de orde in Rome kwam Catharinadal onder de rechtsmacht van de orde. Dit werd op 1 sept. 1928 vastgelegd in een zg. ‘rescript’. Catharinadal viel voortaan onder de rechtsmacht van de abt van Tongerloo, die vader-abt werd van het klooster. Hij zou voortaan de proost benoemen, een keuze die bevestigd moest worden door de bisschop van Breda. Deze bevestigde de proost in zijn functie van rector van de kerk van het klooster. Dit was het einde van de vrije proostkeuze voor de zusters.
Op 1 juni 1929 kwam de generaal abt naar Oosterhout om daar Dr.Lamy, abt van Tongerloo, te installeren als vader-abt van Catharinadal. 

[toc]

Reageren is niet mogelijk